HR 4 oktober 2019 ECLI:NL:HR:2019:1527

Het enkele feit dat bij een verwerping van het cassatieberoep ook een andere dan de gefailleerde partij in de proceskosten zal worden veroordeeld, brengt niet mee dat de curatoren geen belang hebben bij hun incidentele vordering tot ontslag van instantie ex art. 27 lid 2 Fw. Dat belang is immers in elk geval daarin gelegen dat voor hen geen verhaal mogelijk is van een eventuele proceskostenveroordeling ten laste van de gefailleerde.

 Achtergrond zaak

Stichting De Vijf Musketiers behartigt de financiële belangen van vijf kinderen, van wie één van de ouders in staat van faillissement is verklaard. Er ontstaat een geschil over de uitwinning van pandrechten die de andere ouder (hierna: de vrouw) en de kinderen stellen te hebben terzake van vorderingen op de failliete ouder (hierna: de man). Op grond van art. 58 Fw stellen de curatoren van de man aan de vrouw en aan De Vijf Musketiers een termijn van zeven dagen voor de uitoefening van hun pandrechten. De vrouw en De Vijf Musketiers vorderen vervolgens een verklaring voor recht dat de curatoren van de man geen beroep toekomt op het verstrijken van de door hen gestelde termijnen ex art. 58 Fw, omdat de termijn van zeven dagen die de curatoren gaven onredelijk kort zou zijn geweest. De rechtbank heeft de vrouw en De Vijf Musketiers in hun betoog gevolgd, maar het hof niet. Er is toen door de vrouw en De Vijf Musketiers cassatieberoep ingesteld.

Lopende de procedure wordt de vrouw toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. In een eerdere cassatie hebben de curatoren verzocht het geding te schorsen om hen in de gelegenheid te stellen om de bewindvoerder van de vrouw op te roepen (op grond van art. 313 lid 1 jo. 27 lid 1 Fw). Zij hebben daarbij aangekondigd dat zij ontslag van instantie zullen vragen indien de bewindvoerder het geding in cassatie niet overneemt. Na beëindiging van het schriftelijk partijdebat in cassatie is de toepasselijkheid van de schuldsaneringsregeling omgezet in het faillissement van de vrouw.

De Hoge Raad heeft in een arrest van 30 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2220, CB 2018-199) het geding geschorst zodat de curator van de failliete ouder de curator (eerst bewindvoerder) van de failliete vrouw kon oproepen. De curator van de failliete vrouw heeft besloten het geding niet over te nemen. Daarop heeft de curator van de failliete ouder om ontslag van instantie verzocht.

Deze zaak

In cassatie ligt nu voor de incidentele vordering tot ontslag van instantie ex art. 27 lid 2 Fw voor.

Art. 27 lid 2 Fw bepaalt dat de gedaagde partij om ontslag van instantie kan vragen als de curator, na behoorlijk te zijn opgeroepen, het geding niet overneemt. Als het verzoek tot ontslag van instantie wordt toegewezen, komt het geding ten einde. De rechter heeft de bevoegdheid om het verzoek tot ontslag van instantie af te wijzen. Daarbij dient hij de belangen van partijen tegen elkaar af te wegen. Voor afwijzing van een verzoek tot ontslag van instantie zal in ieder geval reden zijn indien toewijzing van het verzoek in strijd zou komen met de eisen van een goede procesorde. Het belang van de gedaagde partij bij de mogelijkheid om de proceskosten te kunnen verhalen moet dus worden afgewogen tegen het belang van de eisende partij om een voor hem nadelige beslissing aan te vechten in hoger beroep of cassatie (zie HR 23 september 2005 ECLI:NL:HR:2005:AT5543 en HR 7 september 2007 ECLI:NL:HR:2007:BA5197).

De vrouw voert verweer tegen de vordering. Zij stelt (i) dat de curatoren van de man geen belang hebben bij hun vordering omdat bij een verwerping van het cassatieberoep ook De Vijf Musketiers in de proceskosten zullen worden veroordeeld, (ii) dat haar belang bij een beslissing in het materiële geschil en bij het voorkomen dat het in hoger beroep gewezen arrest in kracht van gewijsde gaat, zwaarder dient te wegen dan het belang van de curatoren ten aanzien van het verhaal van de proceskosten. Zij stelt voor het geval de Hoge Raad van oordeel is dat de belangenafweging in het kader van art. 27 lid 2 Fw niet in haar voordeel uitvalt, zekerheid voor de proceskostenveroordeling.

Volgens de Hoge Raad is vordering van de curatoren van de man in beginsel toewijsbaar. De Hoge Raad verwerpt de verweren van de vrouw:

  • Het enkele feit dat bij een verwerping van het cassatieberoep ook De Vijf Musketiers in de proceskosten zullen worden veroordeeld, brengt niet mee dat de curatoren geen belang hebben bij hun vordering. Dat belang is immers in elk geval daarin gelegen dat voor hen geen verhaal mogelijk is van een eventuele proceskostenveroordeling ten laste van de vrouw.
  • Gesteld noch gebleken is dat de toewijzing van de vordering in strijd komt met de eisen van de goede procesorde.
  • De vrouw heeft onvoldoende aangevoerd om te kunnen oordelen dat haar belang om te voorkomen dat het door haar in cassatie bestreden arrest van het hof in kracht van gewijsde gaat, zwaarder weegt dan het belang van de curatoren om niet voort te procederen zonder de mogelijkheid van verhaal van een eventuele proceskostenveroordeling.

De Hoge Raad overweegt echter ook dat indien de aangeboden zekerheid wordt gesteld, voor ontslag van instantie geen plaats is. De Hoge Raad houdt de behandeling van dit incident aan om partijen in de gelegenheid te stellen zich erover uit te laten of deze zekerheid (daadwerkelijk) is gesteld.

Share This