Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in onze Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Schorsingsincident in cassatie bij faillissement procespartij

CB 2018-199 Geplaatst op 14 december 2018 door

HR 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2220 (De Vijf Musketiers/curatoren)

Art. 27 Fw biedt de wederpartij van een failliet zonder meer het recht schorsing van de procedure te vorderen om de curator in het geding te roepen. Een afweging van belangen in verband met een eventuele zekerheidsstelling voor de proceskosten komt pas aan de orde indien de curator zou beslissen de procedure niet over te nemen en de andere partij om ontslag van instantie verzoekt.

Stichting De Vijf Musketiers behartigt de financiële belangen van vijf kinderen, van wie één van de ouders in staat van faillissement is verklaard. Er ontstaat een geschil over de uitwinning van pandrechten die de andere ouder (hierna: de vrouw) en de kinderen stellen te hebben terzake van vorderingen op de failliete ouder. Op grond van art. 58 Fw stellen de curatoren van de failliete ouder aan de de vrouw en aan De Vijf Musketiers een termijn van zeven dagen voor de uitoefening van hun pandrechten. De vrouwen en De Vijf Musketiers vorderen vervolgens een verklaring voor recht dat de curatoren geen beroep toekomt op het verstrijken van de door hen gestelde termijnen ex art. 58 Fw, omdat de termijn van zeven dagen die de curatoren gaven onredelijk kort zou zijn geweest.

Lopende de procedure wordt de vrouw toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. In cassatie verzoeken de curatoren het geding te schorsen om hen in de gelegenheid te stellen om de bewindvoerder van de vrouw op te roepen (op grond van art. 313 lid 1 jo. 27 lid 1 Fw). Zij hebben daarbij aangekondigd dat zij ontslag van instantie zouden vragen indien de bewindvoerder het geding in cassatie niet zou overnemen. Nadat het verzoek om schorsing is gedaan, en het schriftelijke partijdebat daarover in cassatie is afgelopen, wordt de schuldsaneringsregeling beëindigd, op grond waarvan de vrouw van rechtswege in staat van faillissement verkeert.

De Hoge Raad verwerpt allereerst het betoog van de vrouw dat het schorsingsverzoek (als bedoeld in art. 27 Fw) moet worden aangemerkt als misbruik van bevoegdheid. De enkele omstandigheid dat de curatoren al tijdens de appelprocedure wisten dat de vrouw tot de schuldsaneringsregeling was toegelaten, maar toen geen schorsing hebben gevraagd, is daarvoor onvoldoende.

De vrouw had ook nog gesteld dat zij haar vorderingen vóór het toepasselijk worden van de schuldsaneringsregeling had gecedeerd aan een derde partij (Prato), en dat zij de procedure niet meer voor zichzelf, maar als lasthebber voor die derde voerde. Omdat de curatoren het bestaan van de cessie en van de lastgeving hebben betwist, en de vrouw daarvan geen bewijsstukken heeft overgelegd, kan het bestaan van de gestelde lastgeving niet worden aangenomen (de Hoge Raad verwijst in dit verband naar HR 16 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2112, rov. 5.2.3). Uitgangspunt is daarom dat de vrouw voor eigen rekening is blijven procederen. Aan de voorwaarden voor schorsing is voldaan (nu het gaat om een vordering als bedoeld in art. 25 lid 1 en 27 lid 1 BW). De vrouw had nog aangevoerd dat Prato bereid was om zekerheid te stellen voor de proceskosten, maar dat doet aan het voorgaande niet af:

“Afgezien van het feit dat, zoals hiervoor is overwogen, niet is komen vast te staan dat [eiseres 1] lasthebber is van Prato en een dergelijk aanbod namens Prato kan doen, biedt art. 27 Fw de wederpartij van een failliet zonder meer het recht schorsing van de procedure te vorderen om de curator in het geding te roepen. Een afweging van belangen in verband met een eventuele zekerheidsstelling voor de proceskosten komt pas aan de orde indien de curator van [eiseres 1] zou beslissen de procedure niet over te nemen en de curatoren om ontslag van instantie verzoeken. Het schorsingsverzoek zal dan ook worden toegewezen.”

Prato mag zich ook niet voegen in de procedure: de vrouw had meegedeeld dat Prato dat zou willen doen als het geding ten aanzien van haar werd geschorst; die mededeling is echter onvoldoende om een verzoek tot voeging in te stellen zoals bepaald in art. 218 en 219 Rv (Prato heeft immers zélf geen verzoek tot voeging gedaan). De Hoge Raad laat het verzoek tot voeging daarom buiten behandeling.

Volgt schorsing van het geding.

email print