HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2305

De werkgever kan in een door de werknemer geëntameerde procedure waarin deze om toekenning van een transitievergoeding verzoekt, zich op de Overbruggingsregeling transitievergoeding beroepen, ook al is de vervaltermijn van drie maanden van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b BW verstreken. Dit geldt ongeacht of de werkgever zijn beroep op de overbruggingsregeling doet als een verweer tegen het verzoek van de werknemer of in de vorm van een zelfstandig verzoek op de voet van art. 282 lid 4 Rv.

Achtergrond

Het gaat in deze zaak om de in art. 7:673d BW opgenomen Overbruggingsregeling transitievergoeding (hierna: overbruggingsregeling). Deze tot 1 januari 2020 geldende regeling is van toepassing als, kort gezegd, een werkgever met gemiddeld minder dan 25 werknemers een werknemer ontslaat om bedrijfseconomische redenen die het gevolg zijn van een slechte financiële situatie van de werkgever. In dat geval mogen bij het berekenen van de aan de werknemer verschuldigde transitievergoeding de maanden vóór 1 mei 2013 buiten beschouwing blijven. Toepassing van de overbruggingsregeling kan tot een forse verlaging leiden van de transitievergoeding waarop de werknemer anders op grond van art. 7:673 BW recht zou hebben.

Op grond van art. 8 lid 1 Regeling UWV ontslagprocedure (Stcrt. 2015, nr. 12688) kunnen partijen het UWV vragen te beoordelen of is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de overbruggingsregeling. Het oordeel van het UWV is niet bindend voor de rechter in een procedure over de transitievergoeding. In de casus die speelde in dit arrest heeft Botobe B.V. (hierna: Botobe), verzoekster tot cassatie, op 18 juli 2016 een dergelijk oordeel van het UWV gevraagd en heeft het voorts het UWV verzocht toestemming te verlenen voor opzegging van de arbeidsovereenkomst met de werknemer, verweerder in cassatie. Het UWV heeft op 26 augustus 2016 de gevraagde toestemming verleend en op diezelfde dag een ‘verklaring overbruggingsregeling transitievergoeding’ afgegeven, waarin is vermeld dat Botobe niet voldoet aan de voorwaarden voor deze regeling. Bij brief van 30 augustus 2016 heeft Botobe vervolgens de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 30 september 2016 en heeft zij de werknemer geen transitievergoeding betaald.

De werknemer heeft hierop de kantonrechter verzocht Botobe op grond van art. 7:673 lid 1 BW te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 7.106,-. Botobe heeft verweer gevoerd en heeft primair verzocht de transitievergoeding met inachtneming van de overbruggingsregeling vast te stellen op een bedrag van € 1.983,-. De kantonrechter en het hof hebben het verzoek van de werknemer toegewezen. Het verzoek van Botobe om de transitievergoeding met inachtneming van de overbruggingsregeling vast te stellen, zou, kort gezegd, te laat zijn gedaan. Zowel de rechtbank als het hof hebben hierbij verwezen naar art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b BW, waarin voor het indienen van een verzoek op grond van art. 7:673d BW (de overbruggingsregeling) een vervaltermijn staat opgenomen van drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Botobe heeft beroep in cassatie ingesteld.

Beroep op toepasselijkheid overbruggingsregeling mogelijk ná verstrijken vervaltermijn?

In cassatie is de vraag aan de orde of de vervaltermijn van drie maanden van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b BW ook van toepassing is als de werkgever een beroep doet op de overbruggingsregeling in reactie op een tijdig door de werknemer begonnen procedure waarin deze om toekenning van een transitievergoeding verzoekt. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. Dit geldt ongeacht of de werkgever zijn beroep op de overbruggingsregeling doet als een verweer tegen het verzoek van de werknemer of in de vorm van een zelfstandig verzoek op de voet van art. 282 lid 4 Rv.

Beroep door de werkgever op de toepasselijkheid van de overbruggingsregeling is dus mogelijk na het verstrijken van de vervaltermijn. Volgens de Hoge Raad is hiervoor redengevend dat toepassing van de overbruggingsregeling door de rechter pas aan de orde is als de werknemer bij de rechter aanspraak maakt op een transitievergoeding:

“Als de werkgever alleen binnen de vervaltermijn van drie maanden een beroep op de overbruggingsregeling zou kunnen doen, loopt hij het risico dat de werknemer kort voor het verstrijken van de vervaltermijn een procedure begint, waardoor een beroep op de overbruggingsregeling binnen de vervaltermijn niet meer mogelijk is. De werkgever zou zich hierdoor gedwongen kunnen zien binnen de vervaltermijn zekerheidshalve zelf een procedure te beginnen, om een verklaring voor recht te verkrijgen dat hij aan de voorwaarden voor de overbruggingsregeling voldoet. Dat zou in de hand werken dat onnodig procedures over de transitievergoeding worden gevoerd, zelfs in gevallen waarin nog onduidelijk is of tussen partijen een geschil bestaat. Het is niet aannemelijk dat dit door de wetgever is beoogd. Dit zou bovendien haaks staan op de doelstelling van de Wet werk en zekerheid om het ontslagstelsel eenvoudiger, sneller en minder kostbaar te maken (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 5).”

Verder acht de Hoge Raad het van belang dat wanneer de werkgever zich, in het hiervoor beschreven geval dat de werknemer in een procedure om transitievergoeding verzoekt, ook na het verstrijken van de vervaltermijn nog op de overbruggingsregeling kan beroepen, geen afbreuk wordt gedaan aan de ratio van de vervaltermijn van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b BW, te weten dat de periode van onzekerheid over het verschuldigd zijn en de hoogte van de transitievergoeding zo kort mogelijk wordt gehouden. Immers, omdat art. 7:686 lid 4, aanhef en onder b BW ook bepaalt dat de werknemer zijn verzoek tot betaling van transitievergoeding binnen drie maanden na het eindigen van de arbeidsovereenkomst bij de kantonrechter moet indienen, wordt het beroep van de werkgever op de overbruggingsregeling dan gedaan in reactie op een binnen die vervaltermijn door de werknemer begonnen procedure.

De Hoge Raad wijst er ten overvloede op dat in art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW behalve naar art. 7:673 BW en art. 7:673d BW, ook wordt verwezen naar art. 7:673a BW, art. 7:673b BW en art. 7:673c BW. Op art. 7:673a lid 1 BW na bevatten al deze bepalingen uitzonderingen ten gunste van de werkgever op de algemene regeling van de transitievergoeding. De Hoge Raad overweegt dat net als voor art. 7:673d BW ook voor deze bepalingen geldt dat een beroep hierop door de werkgever pas aan de orde is als de werknemer bij de rechter aanspraak maakt op een transitievergoeding. Daarom moet volgens de Hoge Raad ook voor deze bepalingen worden aangenomen dat de werkgever zich, in het kader van een door de werknemer begonnen procedure tot toekenning van een transitievergoeding, na het verstrijken van de vervaltermijn van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b BW nog hierop kan beroepen. Ook dit geldt ongeacht of dit beroep wordt gedaan als verweer of in de vorm van een zelfstandig verzoek in de zin van art. 282 lid Rv.

Geen ambtshalve toepassing door de rechter van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b BW

Botobe heeft verder nog aan de orde gesteld of de rechter de vervaltermijn van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b BW ambtshalve toe moet passen. De Hoge Raad wijdt hier een overweging ten overvloede aan. Hij benadrukt nogmaals dat de vervaltermijn van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder b BW ertoe strekt de periode van onzekerheid over de verschuldigdheid en de hoogte van de transitievergoeding voor partijen zo kort mogelijk te houden en dat de termijn dus strekt tot bescherming van het belang van partijen bij voortvarend procederen over de transitievergoeding. De termijn strekt daarom volgens de Hoge Raad niet ter bescherming van zodanig zwaarwichtige belangen dat hij ongeacht het partijdebat of de bijzondere omstandigheden van het geval ambtshalve door de rechter toegepast zou moeten worden.

De Hoge Raad casseert, nadat A-G De Bock eerder al in een verhelderende conclusie ook tot vernietiging had geconcludeerd.

Share This