HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2256

Op de voet van het bepaalde in art. 3:4 lid 1 BW is hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een zaak, bestanddeel van die zaak. Een aard- of nagelvaste verbinding is daarvoor niet vereist. Een aanwijzing dat een zaak volgens verkeersopvatting als onderdeel van een hoofdzaak heeft te gelden, kan gelegen zijn in de omstandigheid dat de twee zaken in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, of in de omstandigheid dat de hoofdzaak, indien het bestanddeel zou ontbreken, als onvoltooid moet worden beschouwd in de zin dat de hoofdzaak dan niet geschikt is te beantwoorden aan haar bestemming. Het hof heeft de hierboven weergegeven maatstaf toegepast, zijn oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.

Achtergrond

Deze zaak betreft de openbare verkoop van een registergoed door middel van een internetveiling in opdracht van twee banken, verweersters in cassatie. De veilingkoper, eiser tot cassatie, houdt de banken aansprakelijk voor het feit dat de geëxecuteerde/eigenaar na aanvang van de veiling en na de gunning onder meer stelcon platen heeft verwijderd van de geveilde kweek- en containervelden. De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. In cassatie draait het in het bijzonder om ’s hofs oordeel dat de stelcon platen geen bestanddeel van het registergoed uitmaakten.

Wanneer is sprake van een bestanddeel van een zaak?

Op grond van art. 3:4 lid 1 BW is al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, bestanddeel van die zaak. De Hoge Raad stelt dit voorop en geeft vervolgens een uiteenzetting van het inmiddels als vaste rechtspraak te beschouwen juridische kader:

“Op de voet van het bepaalde in art. 3:4 lid 1 BW is hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel uitmaakt van een zaak, bestanddeel van die zaak. Een aard- of nagelvaste verbinding is daarvoor niet vereist. Een aanwijzing dat een zaak volgens verkeersopvatting als onderdeel van een hoofdzaak heeft te gelden, kan gelegen zijn in de omstandigheid dat de twee zaken in constructief opzicht specifiek op elkaar zijn afgestemd, of in de omstandigheid dat de hoofdzaak, indien het bestanddeel zou ontbreken, als onvoltooid moet worden beschouwd in de zin dat de hoofdzaak dan niet geschikt is te beantwoorden aan haar bestemming. Of in een bepaald geval naar verkeersopvatting sprake is van een bestanddeel, moet echter in het licht van alle omstandigheden van het geval beoordeeld worden; voor zover dat oordeel berust op een waardering van die omstandigheden, is het feitelijk van aard en kan het in cassatie slechts in beperkte mate worden onderzocht. (HR 6 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7474, rov. 3.4)”

Net als A-G Rank-Berenschot eerder had geconcludeerd, overweegt de Hoge Raad dat het hof de hierboven weergegeven maatstaf juist heeft toegepast. De Hoge Raad is echter, anders dan de A-G, van mening dat ’s hofs beslissing niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd. Daardoor verwerpt de Hoge Raad het cassatieberoep, waar de A-G eerder tot vernietiging had geconcludeerd.

Share This