Selecteer een pagina

HR 18 december 2015, ECLI:NLHR:2015:3631

Voor toelating tot de schuldsaneringsregeling moet voldoende aannemelijk zijn dat de schuldenaar geen nieuwe schulden zal doen ontstaan. Een op de verzoeker rustende alimentatieverplichting hoeft hier niet aan in de weg te staan, omdat zijn draagkracht zal worden aangepast aan de schuldsaneringssituatie waardoor hij geen of minder alimentatie zal hoeven te betalen.

Verzoeker tot cassatie heeft een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling ingediend. Hij heeft een schuldenlast die voor een deel bestaat uit een alimentatieschuld, die verband houdt met een als gevolg van echtscheiding geëindigd huwelijk met drie kinderen.

Het hof wijst het verzoek af wegens het bepaalde in art. 288 lid 1 onder c Fw. In deze bepaling wordt als voorwaarde tot toelating tot de schuldsaneringsregeling gesteld dat voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit die regeling voortvloeiende verplichtingen zal nakomen. Hiertoe behoort ook de verplichting om geen nieuwe schulden te doen ontstaan. Het hof acht het niet aannemelijk dat de verzoeker geen nieuwe schulden zal doen ontstaan, omdat hij niet in staat is om aan zijn alimentatieverplichtingen te voldoen waardoor zijn alimentatieschuld elke maand verder zal oplopen.

De Hoge Raad oordeelt dat die overweging van het hof onjuist of onvoldoende gemotiveerd is. Hierbij verwijst de Hoge Raad naar zijn eerdere beschikking van 14 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7589, waarin het volgende is overwogen:

“3.3.2 Uitgangspunt (…) is dat de rechter bij de beoordeling van een verzoek van een alimentatieplichtige een vastgestelde uitkering tot levensonderhoud op grond van een wijziging van omstandigheden op een lager bedrag of op nihil vast te stellen, in aanmerking zal kunnen nemen dat ten aanzien van de alimentatieplichtige de schuldsaneringsregeling van toepassing is en veelal de in dat verband vastgestelde feiten tot uitgangspunt zal kunnen nemen (…). In aanmerking genomen voorts dat de saniet gedurende de tijd waarin de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is, slechts kan beschikken over het op de voet van artikel 295 lid 2 Fw door de rechter-commissaris vastgestelde vrij te laten bedrag en dit bedrag, gelet op het daarbij van toepassing verklaarde art. 475d Rv, onder het bijstandsniveau is gelegen, tenzij de rechter-commissaris op de voet van art. 295 lid 3 Fw anders heeft bepaald, moet worden aangenomen dat een saniet, behoudens bijzondere omstandigheden, niet over draagkracht beschikt om onderhoudsbijdragen te betalen.”

Gelet op deze uitspraak en het feit dat verzoeker heeft aangegeven een verzoek tot nihil-stelling van zijn alimentatieverplichtingen te zullen instellen, valt volgens de Hoge Raad niet te verwachten dat er nieuwe schulden door de alimentatieverplichtingen zullen ontstaan na toelating van de schuldenaar tot de schuldsaneringsprocedure. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak naar een ander hof.

Zie over de samenloop van schuldsanering en alimentatieverplichtingen ook Alimentatierechter mag niet automatisch uitgaan van verhoging van VTLB in de schuldsanering, CB 2011-93.

 

Share This