Selecteer een pagina

HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1174 (X/NH1816)

De redelijke kosten gemaakt voor het vaststellen van de schade zijn op grond van art. 7:959 lid 1 BW altijd gedekt onder de verzekeringsovereenkomst, tenzij dekking is uitgesloten. In het geval dat de verzekeringnemer een consument is, kan dekking alleen worden uitgesloten voor zover de kosten de verzekerde som overschrijden.

 

In deze zaak draait het om de vraag of art. 7:959 lid 1 BW en art. 7:963 lid 6 BW samen inhouden dat de redelijke kosten gemaakt voor het vaststellen van de schade altijd worden gedekt onder de verzekeringsovereenkomst, tenzij er geen dekking bestaat op basis van de polisvoorwaarden.

In art. 7:959 lid 1 BW is bepaald dat bij een schadeverzekering de vergoeding voor bereddingskosten (als bedoeld in art. 7:957 BW) en de redelijke kosten gemaakt voor het vaststellen de schade ten laste komen van de verzekeraar, ook al zou daardoor, samen met de vergoeding van de schade, de verzekerde som worden overschreden.

Bij de vormgeving van art. 7:959 lid 1 BW is door de wetgever aansluiting gezocht bij art. 6:96 lid 2 onder b BW. Volgens dat artikel komen ook de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking. Art. 7:959 BW ziet specifiek op de kosten die worden gemaakt om de omvang van de door de verzekering gedekte schade vast te stellen, de zogenoemde ‘expertisekosten’. Voor het vergoeden van die kosten is overigens volgens de Hoge Raad niet vereist dat de expertisekosten enkel door de verzekeraar (mogen) worden gemaakt. Zie voor dit alles ook rov. 3.2-3.4 van het hierna te bespreken arrest.

In art. 7:963 lid 6 BW is vervolgens bepaald:

“Van artikel 959 lid 1 kan niet ten nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde worden afgeweken voor zover de in dit lid bedoelde kosten niet het bedrag overschrijden dat gelijk is aan de verzekerde som en de verzekeringnemer een natuurlijk persoon is die de verzekering anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf heeft gesloten.”

Geschil in cassatie

In het geschil dat tot deze uitspraak leidde had de verzekeraar dekking geweigerd voor de expertisekosten van de verzekerde consument op basis van de polisvoorwaarden. Het hof had in de daarop volgende procedure slechts onderzocht of er kosten zijn gemaakt als bedoeld in art. 7:959 lid 1 BW. Het hof ging er daarmee volgens de verzekeraar ten onrechte van uit dat er in beginsel dekking bestond voor de expertisekosten. Het geschil in cassatie komt daarmee neer op het nuanceverschil tussen enkel dekking als dit blijkt uit de polisvoorwaarden of altijd dekking, tenzij uitgesloten in de polisvoorwaarden.

De verzekeraar onderbouwt haar standpunt door te verwijzen naar art. 7:963 lid 5 BW waarin is bepaald dat van art. 7:957 lid 2 BW (ziet op de bereddingskosten) niet ten nadele van de verzekeringnemer of de verzekerde kan worden afgeweken. Aangezien voor de expertisekosten een dergelijke regeling niet bestaat, geldt er volgens de verzekeraar geen wettelijke verplichting dat deze kosten altijd onder de verzekeringsovereenkomst moeten vallen. A-G Lindenbergh sluit zich in zijn conclusie hierbij aan. Volgens hem zal in het licht van de polisvoorwaarden moeten worden beoordeeld of kosten zijn gedekt onder de verzekeringsovereenkomst. Het incidentele cassatieberoep slaagde daarom volgens de A-G.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelt anders.

Hij herhaalt dat uit art. 7:959 lid 1 BW volgt dat de redelijke kosten tot het vaststellen van de schade ten laste van de verzekeraar komen en dat dit ook geldt indien daardoor de verzekerde som wordt overschreden. Hiervan kan volgens art. 7:963 lid 6 BW niet ten nadele van de verzekeringnemer of verzekerde worden afgeweken, indien de verzekerde een consument is en de kosten de verzekerde som niet overschrijden (rov. 3.4). Dat uit art. 7:963 lid 5 BW volgt dat de bereddingskosten dwingendrechtelijk steeds ten laste van de verzekeraar komen, terwijl een dergelijke bepaling voor de kosten tot het vaststellen van de schade ontbreekt, leidt niet tot een andere uitleg. Art. 7:963 lid 5 BW geldt immers ook in het geval de verzekerde of verzekeringnemer geen consument is. Het wijkt in zoverre dus af van de regeling van de kosten tot het vaststellen van de schade (rov. 3.5). Het middel, dat een andere rechtsopvatting bepleit, faalt dus volgens de Hoge Raad (rov. 3.6).

De Hoge Raad bevestigt hiermee het uitgangspunt dat een verzekerde in beginsel altijd aanspraak kan maken op de expertisekosten, ook als er geen dekking bestaat op basis van de polisvoorwaarden (bijvoorbeeld wanneer dit niet is geregeld). Van dit uitgangspunt kan echter worden afgeweken. Het is daarmee dus niet ‘aanspraak mits dekking’, maar ‘aanspraak, tenzij géén dekking’. In het geval dat de verzekerde of verzekeringnemer een consument is, kan de dekking ten slotte enkel worden beperkt voor zover de expertisekosten de verzekerde som overschrijden. De Hoge Raad verwerpt het incidentele cassatieberoep van de verzekeraar.

In het principale cassatieberoep wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de verzekerde onvoldoende inzichtelijk had gemaakt dat bepaalde declaraties zien op redelijke kosten gemaakt voor het vaststellen van de schade in de zin van art. 7:959 lid 1 BW. De Hoge Raad overweegt dat het hof heeft geconstateerd dat de kosten specifiek zien op een medisch advies en het opmaken van de schadestaat. Niet valt volgens de Hoge Raad in te zien op welke kosten die posten anders kunnen zien dan op kosten ter vaststelling van de hoogte van de als gevolg van het ongeval geleden letselschade. Het oordeel van het hof is daarom onbegrijpelijk.

Afdoening

De Hoge Raad vernietigt de arresten van het hof en verwijst het geding naar het Hof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing.

Share This