Selecteer een pagina

HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704 (Fa-Med/Verweerster)

De Hoge Raad beantwoordt (wederom) prejudiciële vragen over de in art. 6:96 lid 6 BW bedoelde veertiendagenbrief. De vragen gaan over (stelplicht en bewijslast ter zake van) de aanvang van de veertiendagentermijn en de gevolgen van een onjuiste vermelding daarvan. Kern is dat de consument-schuldenaar de volle veertien dagen de gelegenheid moet krijgen om zijn geldschuld te betalen, alvorens incassokosten verschuldigd te zijn, dat de schuldeiser moet bewijzen dat deze gelegenheid ook is geboden en dat geen incassokosten verschuldigd zijn indien de termijn onjuist, verwarrend of misleidend is weergegeven.

Inleiding

Per 1 juli 2012 is in art. 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten een normering van buitengerechtelijke incassokosten ter zake van contractuele geldschulden opgenomen, die uitgaat van een forfaitaire berekeningsmethodiek. Art. 6:96 lid 6 BW bepaalt dat de consument-schuldenaar de forfaitaire incassokosten pas verschuldigd is na aanmaning in de vorm van een zogenaamde “veertiendagenbrief”: een brief waarbij de consument-schuldenaar nog een laatste betalingstermijn van veertien dagen wordt gesteld.

In 2014 bereikte de Hoge Raad al een prejudiciële vraag over de veertiendagenbrief, te weten de vraag of na het verstrijken van de veertiendagentermijn nog nadere incassohandelingen nodig zijn voor het verschuldigd worden van de forfaitaire incassokosten. Nee, antwoordde de Hoge Raad, ten gunste van schuldeisers dus (CB 2014-112).

Thans beantwoordt de Hoge Raad een reeks (vervolg)vragen die betrekking hebben op (1) het aanvangsmoment van de veertiendagentermijn, (2) de stelplicht en bewijslast ter zake van de vervulling van de vereisten van art. 6:96 lid 6 BW, (3) de gevolgen van onjuiste vermelding van de veertiendagentermijn in de veertiendagenbrief, (4) de rol van de rechter in verstekzaken en zaken op tegenspraak en (5) de gevolgen van een deelbetaling voor de verschuldigdheid van incassokosten. Thans strekken de antwoorden (vooral) ten gunste van de consument-schuldenaar. De Hoge Raad volgt hiermee de conclusie van A-G Wissink (zie zijn samenvattende beantwoording onder 3.53).

Veertiendagentermijn begint na ontvangst van de aanmaning (vraag a)

Onder verwijzing naar de ontvangsttheorie van art. 3:37 BW en het arrest Centavos/Nieuwenhuis (HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104, NJ 2013/391, CB 2013-112) oordeelt de Hoge Raad dat de in art. 6:96 lid 6 BW bedoelde veertiendagentermijn (pas) aanvangt daags nadat de consument-schuldenaar de aanmaning heeft ontvangen (dus niet al na verzending, zoals wel was betoogd). Dit strookt met de bedoeling van de wetgever dat de schuldenaar de volle veertien dagen de gelegenheid heeft het verschuldigde bedrag te betalen zonder dat incassokosten verschuldigd worden, aldus de Hoge Raad (r.o. 3.4).

Stelplicht en bewijslast rusten op de schuldeiser (vragen b en e)

Conform de hoofdregel van art. 150 Rv dient de schuldeiser die aanspraak maakt op forfaitaire incassokosten te stellen en zo nodig te bewijzen dat aan de eisen van art. 6:96 lid 6 BW is voldaan, dus (gelet op het antwoord op vraag a) dat en op welke dag de consument-schuldenaar de veertiendagenbrief heeft ontvangen (r.o. 3.5.1).

Als de consument-schuldenaar (het moment van) de ontvangst van de veertiendagenbrief betwist, kan de schuldeiser aan zijn stelplicht en bewijslast voldoen door te stellen en zo nodig bewijzen dat de brief is verzonden naar (en tijdig ontvangen op) een adres waarvan de schuldeiser redelijkerwijs mocht aannemen dat de schuldenaar daar kon worden bereikt, zo overweegt de Hoge Raad onder verwijzing naar Centavos/Nieuwenhuis (r.o. 3.5.2).

Als de consument-schuldenaar geen verweer voert, dient de schuldeiser (het moment van) de ontvangst van de veertiendagenbrief (alleen) gemotiveerd te stellen. Het is aan de feitenrechter overgelaten welke duur van postbezorging hij in dit verband tot uitgangspunt neemt. Als ervaringsregel kan worden gehanteerd dat de brief op de tweede dag na verzending is bezorgd, waarbij een zondag, maandag of officiële feestdag niet meetellen (r.o. 3.5.3).

Deze ervaringsregel helpt de schuldeiser dus niet (zonder meer) als de consument-schuldenaar (het moment van) de ontvangst van de veertiendagenbrief betwist: dan draagt de schuldeiser (in beginsel) de zojuist besproken bewijslast (vgl. de conclusie, sub 3.19). Met het oog hierop is aangetekende verzending aan te bevelen, al lijkt dat kostentechnisch – zeker bij kleine vorderingen – niet altijd aantrekkelijk (vgl. de conclusie, sub 3.18).

Geen incassokosten verschuldigd indien brief niet aan de wettelijke eisen voldoet (vragen c en d)

De wettelijke regeling van art. 6:96 lid 6 BW beoogt dat de consument-schuldenaar niet wordt overvallen door het verschuldigd worden van incassokosten. Tegen deze achtergrond heeft een veertiendagenbrief die niet voldoet aan de eisen van art. 6:96 lid 6 BW, meer concreet bijvoorbeeld omdat het aanvangsmoment van de veertiendagentermijn onjuist, verwarrend of misleidend is weergegeven (zoals “binnen veertien dagen na heden” of “binnen veertien dagen na verzending van deze brief”), níet het daaraan door de wet verbonden rechtsgevolg dat de consument-schuldenaar bij het uitblijven van tijdige betaling incassokosten verschuldigd wordt (r.o. 3.6.2).

De schuldeiser kan een onjuist vermelde termijn niet ‘repareren’ door een kort extra uitstel te bieden: hij zal opnieuw een veertiendagenbrief moeten verzenden die wél aan de wettelijke eisen voldoet (r.o. 3.6.2).

Ambtshalve toetsing door de rechter (vraag f)

Het voorgaande geldt (afgezien van de genoemde bewijsrechtelijke verschillen) gelijkelijk in verstekzaken en zaken op tegenspraak. Ook in verstekzaken zal de rechter dus, gelet op art. 139 Rv, moeten beoordelen of de schuldeiser voldoende heeft gesteld voor toewijzing van de incassokosten en of de schuldeiser overeenkomstig de regels van art. 6:96 leden 5-7 BW en het Besluit heeft gehandeld. En ook in zaken op tegenspraak is de rechter bevoegd om eigener beweging te onderzoeken of aan de eisen van art. 6:96 leden 5-7 BW en het Besluit is voldaan (r.o. 3.7).

Incassokosten herberekend bij deelbetaling (vraag g)

Wat als de consument-schuldenaar tijdig, maar niet volledig betaalt? Is hij dan onverkort de volledige forfaitaire incassokosten verschuldigd of alleen de incassokosten die corresponderen met het niet (tijdig) betaalde gedeelte van de hoofdsom? De Hoge Raad kiest voor dit laatste, consumentvriendelijker systeem (r.o. 3.8). A-G Wissink wijst erop dat dit in de praktijk niet altijd zal leiden tot een lager bedrag, nu het Besluit werkt met categorieën en een minimumvergoeding van € 40 (sub 3.51).

Share This