HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3145

De begroting van de schade aan een boom kan niet worden gebaseerd op het uitgangspunt dat de kosten die in het verleden zijn gemaakt om het genot van de boom te verkrijgen en te behouden, geacht moeten worden hun doel te hebben gemist. Een algemene regel op basis waarvan de schade aan bomen moet worden vastgesteld kan niet worden gegeven. Uitgangspunt blijft dat een rechter zoveel mogelijk de werkelijk te lijden schade begroot.

Achtergrond

In deze zaak gaat het om schade aan een boom van de gemeente Heiloo die Liander N.V. bij het uitvoeren van graafwerkzaamheden heeft veroorzaakt. De gemeente heeft een schadetaxatierapport laten opstellen waarin de schade aan de boom is getaxeerd op basis van het ‘Rekenmodel Boomwaarde’ van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen (NVTB). Bij dit rekenmodel wordt uitgegaan van de waarde van de boom zonder schade (boomwaarde). Deze boomwaarde wordt bepaald op basis van de kosten die gemaakt moeten worden om (op den duur) een vergelijkbare boom op dezelfde plaats te verkrijgen. De schade bestaat uit de vermindering van de boomwaarde als gevolg van de beschadiging.

In deze procedure vordert de gemeente van Liander N.V. vergoeding van de schade aan de boom. De kantonrechter overwoog bij tussenvonnis dat deskundige voorlichting nodig is over de vraag of schade is ontstaan aan de boom, of er nog steeds sprake is van schade en zo ja op welk bedrag de schadevergoeding moet worden vastgesteld. Tegen dit tussenvonnis is tussentijds hoger beroep ingesteld. In hoger beroep heeft het hof uitgangspunten voor de vergoeding van schade aan een boom vastgesteld die er op neerkomen dat:

(a) schade als gevolg van tijdelijk functieverlies en voortijdige uitval van een beschadigde boom kan worden begroot op de kosten die de gemeente heeft moeten maken om de aanwezigheid van de boom te faciliteren en die kunnen worden geacht hun doel in zoverre te hebben gemist en;

(b) een methode zoals die van het Rekenmodel, waarin de schade zoveel mogelijk ineens, kort na de beschadiging, wordt begroot aan de hand van een inschatting van de goede en kwade kansen, verdient de voorkeur boven het afwachten van een eindtoestand.

Cassatie

Tegen het tussenarrest van het hof heeft Liander N.V. cassatieberoep ingesteld, waarin zij (onder meer) klaagt tegen bovenstaande uitgangspunten van het hof. Bij de beoordeling van de klachten stelt de Hoge Raad voorop dat in een geval van beschadiging aan een boom die niet noodzaakt tot vervanging van de boom, voor vergoeding in aanmerking komen (i) de kosten van maatregelen tot ondersteuning en bevordering van het zelfherstel van de boom en (ii) andere specifieke kosten die het directe gevolg zijn van de beschadiging. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat in deze procedure in geschil is of naast deze kosten ook ander nadeel voor vergoeding in aanmerking komt, en zo ja, hoe dit moet worden begroot. Daarbij gaat het om nadeel dat bijvoorbeeld is gelegen in de beperkte functie en de ‘belevingswaarde’ van de boom en/of aantasting van de gezondheid van boom en het risico op uitval.

Ten aanzien van het eerste door het hof geformuleerde uitgangspunt overweegt de Hoge Raad dat, indien een boom wordt beschadigd en deze beschadiging niet noodzaakt tot vervanging, dit onverlet laat dat die boom tot het moment van de beschadiging de functie die hij daarvoor had in volle omvang heeft vervuld en daarna ten dele nog vervult. Volgens de Hoge Raad kan de begroting van de schade dan ook niet worden gebaseerd op het uitgangspunt dat de kosten die in het verleden zijn gemaakt om het genot van de boom te verkrijgen en te behouden, geacht moeten worden hun doel te hebben gemist. Naar het oordeel van de Hoge Raad verschilt onderhavig geval van het geval dat aan de orde was in HR 28 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6460 (Rally Dakar). De klachten van Liander N.V. tegen het eerste uitgangspunt van hof acht de Hoge Raad dan ook gegrond.

Met betrekking tot het tweede door het hof geformuleerde uitgangspunt klaagt Liander N.V. (onder meer) dat het hof heeft miskend dat zaakschade aan een boom door zelfherstel van de boom kan verminderen of verdwijnen en dat de eventuele toekomstige uitval van een boom andere oorzaken kan hebben dan de beschadiging. Ook deze klachten acht de Hoge Raad gegrond. Daartoe overweegt de Hoge Raad dat op grond van art 6:105 BW de begroting van nog niet ingetreden schade door de rechter kan worden uitgesteld of na afweging van goede en kwade kansen bij voorbaat kan geschieden. Ook in dat laatste geval, blijft uitgangspunt dat zoveel mogelijk de werkelijk te lijden schade wordt begroot. Daarvoor moet de feitelijke situatie (de situatie met schade) worden vergeleken met de hypothetische situatie (situatie zonder schade), waarbij het aankomt op de redelijke verwachting van de rechter omtrent toekomstige ontwikkelingen. Vaak zal daarbij onzekerheid bestaan over de ontwikkeling van het zelfherstel van de boom met schade en de ontwikkeling in het hypothetische geval zonder schade. In die gevallen kan een afweging van goede en kwade kansen op bezwaren stuiten die aan een directe algehele begroting op basis van een schatting in de weg staan, aldus de Hoge Raad. Een algemene regel zoals door het hof is gegeven kan volgens de Hoge Raad dan ook niet worden aangenomen.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

Share This