Selecteer een pagina

HR 1 juni 2012, LJN BV7347

De rechter is op grond van art. 7:680a BW slechts bevoegd een vordering tot doorbetaling van loon die gegrond is op de vernietigbaarheid van de arbeidsovereenkomst te matigen, indien toewijzing in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. De rechter moet in zijn motivering laten blijken dat hij daadwerkelijk deze terughoudendheid in acht heeft genomen. In dit geval, waarin de werkgever pas twintig maanden nadat de werknemer de vernietigbaarheid van het ontslag had ingeroepen ontbinding van de arbeidsovereenkomst had verzocht, heeft het hof onvoldoende duidelijk gemaakt waarom toewijzing van de loonvordering tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. 

Een werkneemster van een tandartspraktijk is op 18 juni 2007 op staande voet ontslagen. Pas twintig maanden later heeft de tandartspraktijk de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden. De overeenkomst tussen partijen is met ingang van 16 april 2009 ontbonden. De werkneemster is naar de kantonrechter gestapt om betaling van haar loon te vorderen over de periode vanaf het ontslag op staande voet, waarvan zij de nietigheid heeft ingeroepen, tot aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter oordeelde dat integrale toewijzing van de loonvordering in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden en matigde de loonvordering tot het in art. 7:680a BW voorziene minimum van drie maanden.

In hoger beroep oordeelde het hof dat het feit dat bij volledige toewijzing een wanverhouding zou ontstaan tussen de tijd waarover loon moet worden betaald en de tijd die de werkneemster feitelijk voor de tandartspraktijk heeft gewerkt (ruim een jaar), de matiging tot drie maanden rechtvaardigt. Het hof stelde zich daarbij bewust te zijn van de terughoudendheid die strookt met de maatstaf dat toewijzing van de gehele vordering in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden.

De werkneemster ging in cassatie. A-G Spier overweegt in zijn conclusie dat het hof, door de periode die de werkneemster heeft gewerkt tegenover de periode waarover zij loon vordert te plaatsen, op zichzelf heeft uitgelegd waarom sprake is van een wanverhouding. Spier concludeert echter uit HR 16 april 2010, LJN BL1532 dat die motivering tekortschiet. In die zaak had het hof ook een wanverhouding aangenomen op de grond dat ongematigde toewijzing van de loonvordering zou leiden tot een lange periode van doorbetaling van loon ten opzichte van de duur van de arbeidsovereenkomst vóór het ontslag. Volgens de Hoge Raad hield die overweging niet in waarom van een wanverhouding sprake was. Volgens de Hoge Raad had het hof ofwel bij zijn oordeel dat toewijzing van de loonvordering tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden de vereiste mate van terughoudendheid niet betracht, ofwel niet begrijpelijk gemotiveerd waarom de lengte van de periode van doorbetaling van loon tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden.

A-G Spier vraagt zich af wat de rechter in het geval van een wanverhouding extra had moeten opschrijven om wel voldoende inzichtelijk te maken hoe hij tot zijn matigingsoordeel is gekomen. Hij werpt de vraag op of in de aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad niet veeleer wordt bedoeld dat een enkele wanverhouding nooit voldoende kan zijn voor matiging. Als een hof dan toch op uitsluitend die grond matigt, lijdt dat oordeel niet zozeer aan een motiveringsgebrek, maar geeft het blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Hoe dan ook concludeert Spier tot vernietiging, omdat het hof in zijn motivering niet kenbaar heeft meegewogen dat de tandartspraktijk het aan zichzelf te wijten heeft dat de loonvordering ver is opgelopen. De tandartspraktijk heeft immers pas twintig maanden na het ontslag om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht.

De Hoge Raad kiest ook in deze zaak voor de route van een motiveringsgebrek en vernietigt het arrest op de grond dat het hof in zijn motivering onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat het bij de uitoefening van de matigingsbevoegdheid daadwerkelijk de nodige terughoudendheid in acht heeft genomen. Daarbij is volgens de Hoge Raad met name van belang dat het hof niet duidelijk maakt waarom in dit geval, waarin de werkgever het oplopen van de loonvordering aan zichzelf te wijten heeft, de toewijzing van de volledige vordering tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden.

“Weliswaar oordeelt het hof dat bij toewijzing van de vordering een wanverhouding zou ontstaan tussen het tijdvak waarover loon moet worden betaald (bijna 22 maanden) en het tijdvak waarin eiseres feitelijk voor de tandartspraktijk heeft gewerkt (ruim een jaar), maar dit oordeel is onvoldoende om zijn beslissing te dragen. Het hof maakt immers niet duidelijk waarom in dit geval – waarin de werkgever eerst twintig maanden na het ontslag op staande voet waarvan de werknemer de nietigheid heeft ingeroepen, ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft verzocht – van een zodanige wanverhouding sprake is dat toewijzing van de vordering tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden en dat de vordering tot het in art. 7:680a genoemde minimum van drie maanden moet worden gematigd.”

Share This