Selecteer een pagina

HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1272

Erfgename vernietigt schenkingen die erflaatster bij leven had gedaan wegens misbruik van omstandigheden. Het hof had toepassing moeten geven aan de bewijsregel van art. 7:176 BW, door in beginsel op de begiftigde de bewijslast te leggen dat de schenkingen niet door misbruik van omstandigheden zijn tot stand gekomen. Van een uitzondering op deze regel had het hof uitdrukkelijk verantwoording moeten afleggen.

Art. 7:176 BW bevat een bijzondere regel van bewijslastverdeling voor vernietiging van een schenking wegens misbruik van omstandigheden:

“Indien de schenker feiten stelt waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen, rust bij een beroep op vernietigbaarheid de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde, tenzij van de schenking een notariële akte is opgemaakt of verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn.”

Deze bewijsregel geldt ook in een erfrechtelijke context, indien door de erflater bij leven een schenking is gedaan aan een van de erfgenamen, zonder dat daarvan een notariële akte is opgemaakt, en een andere erfgenaam zich beroept op misbruik van omstandigheden (zie de conclusie van plv. P-G De Vries Lentsch-Kostense, sub 22). De onderhavige zaak is een illustratie daarvan.

Partijen zijn broer en zus en ieder voor de helft gerechtigd tot de nalatenschap van hun in 2005 overleden moeder. In haar laatste levensjaren heeft de moeder schenkingen (in de vorm van effectenoverdrachten) gedaan aan de broer, die zijn moeder hielp bij haar administratie. De zus, die sinds 1992 geen contact meer had met de moeder, heeft de schenkingen in 2007 buitengerechtelijk vernietigd met een beroep op de geestestoestand van de moeder (dementie). Thans vordert de zus een verklaring voor recht dat de schenkingen rechtsgeldig zijn vernietigd wegens misbruik van omstandigheden door de broer.

Het hof zag, zo lijkt het, art. 7:176 BW over het hoofd: het belastte de zus zonder nadere motivering met het bewijs van het gestelde misbruik van omstandigheden (waarin zij niet slaagde). In cassatie klaagt de zus hierover met succes.

De Hoge Raad stelt in r.o. 3.3.3, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis (geciteerd in de conclusie, sub 22), voorop dat art. 7:176 BW een versterking van de positie van de schenker beoogt. In casu heeft de zus een beroep op vernietigbaarheid van de schenkingen gedaan “als rechtsopvolger onder algemene titel (erfgenaam) van de moeder, en daarmee dus als ‘ schenker'”, zo preciseert de Hoge Raad. Hij vervolgt met de constatering dat de zus haar beroep op misbruik van omstandigheden concreet had onderbouwd, en daarmee had voldaan aan de ingevolge art. 7:176 BW op haar rustende stelplicht. De slotsom luidt:

“3.3.4 (…) Bij die stand van zaken had het hof toepassing moeten geven aan art. 7:176 BW door op de broer de bewijslast te leggen dat de schenkingen niet door misbruik van omstandigheden zijn tot stand gekomen, dan wel door te oordelen dat deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid van billijkheid zou zijn. Van dat laatste had het hof dan uitdrukkelijk verantwoording moeten afleggen, waarbij het hof tevens tot uitdrukking had moeten brengen welke (door de broer gestelde) feiten deze afwijking van de hoofdregel van art. 7:176 BW rechtvaardigen.

Het hof heeft echter noch in zijn tussenarrest noch in zijn eindarrest toepassing gegeven aan art. 7:176 BW. De daarop gerichte klacht van het middel treft derhalve doel.”

Na verwijzing zal de broer alsnog moeten worden toegelaten tot het bewijs dat de schenkingen niet door misbruik van omstandigheden zijn tot stand gekomen. Lezing van de conclusie doet vermoeden dat dit wel eens lastig zou kunnen worden.

Share This