HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2901 (Y/DAS Rechtsbijstand)

De Hoge Raad stelt prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie over het recht op vrije advocaatkeuze bij een ontslagprocedure ex art. 6 BBA. De vraag wordt gesteld in het kader van een (eveneens) prejudiciële procedure bij de Hoge Raad, waarbij aan de Hoge Raad de vraag werd voorgelegd of de art. 6 BBA-ontslagprocedure kwalificeert als “gerechtelijke of administratieve procedure” als bedoeld in art. 4:67 Wft en art. 4 lid 1 sub a richtlijn 87/344/EG.

Recht op vrije advocaatkeuze (I)

Deze procedure ligt in het verlengde van de uitspraak van HvJ EU 7 november 2013, C-442/12 (Sneller/DAS Rechtsbijstand). In die uitspraak, eveneens naar aanleiding van prejudiciële vragen van de Hoge Raad, oordeelde het HvJ EU dat een rechtsbijstandverzekeraar die in zijn verzekeringsovereenkomsten regelt dat rechtsbijstand in beginsel wordt verleend door zijn werknemers,  niet tevens mag bedingen dat de kosten van rechtsbijstand van een door de verzekerde vrij gekozen advocaat of rechtsbijstandverlener slechts vergoed worden indien de verzekeraar van mening is dat de behandeling van de zaak aan een externe rechtshulpverlener moet worden uitbesteed. Dat geldt, aldus het HvJ EU, ook indien rechtsbijstand voor de desbetreffende procedure naar nationaal recht niet verplicht is. Zie bespreking op Cassatieblog, CB 2013-188.

In het arrest van de Hoge Raad dat volgde op de beantwoording van deze vraag oordeelde de Hoge Raad dat het recht op vrije advocaatkeuze niet afhankelijk is van een besluit van de rechtsbijstandverzekeraar dat de zaak door een externe rechtshulpverlener zal worden behandeld. Zie bespreking op Cassatieblog, CB 2014-48.

Recht op vrije advocaatkeuze (II)

In de onderhavige procedure heeft de verzekerde van DAS Rechtsbijstand ontslag aangezegd gekregen door zijn werkgever. De werkgever is daartoe bij het UWV een ontslagprocedure ex art. 6 BBA gestart. De vraag is nu of de verzekerde van DAS in het kader van die UWV-ontslagprocedure aanspraak kan maken op vrije advocaatkeuze onder zijn rechtsbijstandverzekering, met andere woorden of deze ontslagprocedure ook kwalificeert als “gerechtelijke of administratieve procedure” als bedoeld in art. 4:67 Wft en richtlijn 87/344/EG. De voorzieningenrechter te Amsterdam heeft deze vraag bij wijze van prejudiciële vraag (art. 392 Rv) aan de Hoge Raad voorgelegd (CB 2014-102).

In de uitspraak van vandaag speelt de Hoge Raad deze prejudiciële vraag door aan het Hof van Justitie. De Hoge Raad geeft in rov. 3.6.1 wel alvast een schot voor de boeg, door te overwegen dat de gestelde vraag “voorshands” bevestigend te beantwoorden. De Hoge Raad wijst ter toelichting op de verschillende taalversies van de richtlijn waarin onderscheid wordt gemaakt tussen gerechtelijke en administratieve procedures, waaruit volgens de Raad volgt dat de administratieve procedure niet noodzakelijkerwijs ten overstaan van een rechterlijke instantie plaatsvindt. Verder wijst de Hoge Raad, onder verwijzing naar het eerdere Sneller-arrest van het HvJ EU, op de strekking van de Richtlijn, te weten bescherming van de belangen van de verzekerden.

Prejudiciële vraag aan HvJ EU

Omdat niettemin, aldus de Hoge Raad in rov. 3.7.1, gelet op de totstandkomingsgeschiedenis en de wijze waarop de richtlijn in enkele lidstaten is omgezet, redelijkerwijs twijfel kan bestaan over de vraag of de door deze voorshands gegeven uitleg van art. 4 van de richtlijn juist is, legt de Hoge Raad de vraag op zijn beurt voor aan het HvJ EU.

De vraagstelling luidt als volgt:

1. Dient het begrip “administratieve procedure” in art. 4 lid 1, aanhef en onder a, van Richtlijn 87/344/EEG van de Raad van 22 juni 1987 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de rechtsbijstandverzekering, aldus te worden uitgelegd dat daaronder is begrepen de procedure bij het UWV, waarin de werkgever verzoekt om een ontslagvergunning teneinde te komen tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met de (voor rechtsbijstand verzekerde) werknemer?

2. Indien het antwoord op vraag 1 afhangt van de kenmerken van de specifieke procedure, zo nodig in samenhang met de feiten en omstandigheden van het geval, aan de hand van welke kenmerken, feiten en omstandigheden dient de nationale rechter dan te bepalen of die procedure dient te worden aangemerkt als een administratieve procedure als bedoeld in art. 4 lid 1, aanhef en onder a, van de Richtlijn?

DAS Rechtsbijstand wordt in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en Kasper Jansen.

Share This