HR 14 juni 2013, LJN BZ7459

Uit het wettelijk stelsel van de schuldsanering volgt dat de omstandigheid dat de schuldenaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten, alleen dan reden mag zijn om hem de “schone lei” te onthouden indien de tekortkoming hem kan worden toegerekend.

Een belangrijk rechtsgevolg van de schuldsaneringsregeling is dat na beëindiging daarvan – meestal na drie jaar (vgl. art. 349a Fw) – in beginsel een “schone lei” aan de schuldenaar wordt verleend, een kwijtschelding van zijn schulden dus. Volgens art. 358 lid 2 Fw wordt deze schone lei echter in beginsel níet verleend, indien de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de naleving van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

In deze zaak ging het om de vraag of de schone lei (reeds) mag worden geweigerd op de grond dat de schuldenaar is tekortgeschoten in de naleving van zijn verplichtingen, ook indien vaststaat dat deze tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. De Hoge Raad beantwoordt deze vraag, in navolging van A-G Wuisman (zie zijn conclusie, sub 2.2.1), ontkennend. Alleen een toerekenbare tekortkoming kan dus leiden tot weigering van de schone lei.

Verzoeker had, gedurende de termijn van de schuldsaneringsregeling, niet tijdig om nihilstelling van een kinderalimentatieverplichting verzocht (en tevens nagelaten de bewindvoerder hierover te informeren). Aldus was een nieuwe (alimentatie)schuld van € 5.443 ontstaan. Op advies van de bewindvoerder weigerde de rechtbank daarom bij de beëindiging van de schuldsaneringsregeling verlening van de schone lei.

In appel achtte het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat de tekortkoming van verzoeker hem wegens psychische en lichamelijke problemen niet kon worden toegerekend. Desondanks oordeelde ook het hof dat aan verzoeker geen schone lei kon worden verleend. Het systeem en de ratio van de wet staan eraan in de weg, aldus het hof, dat na afloop van de in art. 349a Fw bedoelde termijn met een dusdanige schuld een schone lei wordt verleend.

De Hoge Raad denkt hier anders over:

“3.3 Uit het wettelijk stelsel van de schuldsanering, meer in het bijzonder art. 354, 356 lid 2 en 358 lid 1 en 2 Fw, volgt dat de omstandigheid dat de schuldenaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten, alleen dan reden mag zijn om hem de “schone lei” te onthouden indien de tekortkoming hem kan worden toegerekend. Het hof heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat het doen ontstaan van de schuld van € 5.443,–, welke tekortkoming volgens het hof niet aan [verzoeker] kon worden toegerekend, aan verlening van de “schone lei” in de weg stond.”

Tegen deze achtergrond volgt vernietiging en verwijzing.

Share This