HR 28 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:443

De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van de  verzochte verlenging van de eerder uitgesproken kinderbeschermingsmaatregelen dient zelfstandig te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Brussel II-bis).

De Hoge Raad heeft zich al verschillende malen gebogen over geschillen tussen de ouders van drie minderjarigen om wie het in deze zaak gaat en – kort gezegd – de instanties belast met jeugdzorg. Zie over deze procedures onderdeel 1.1 van de conclusie van Advocaat-Generaal Vlas voor de beschikking in de onderhavige  procedure.

De kinderen zijn onder toezicht gesteld en verbleven inmiddels in Nederlandse pleeggezinnen. Tijdens een begeleid bezoek op 28 september 2012 hebben de ouders de kinderen zonder toestemming meegenomen naar Duitsland. Sindsdien verblijven de kinderen op een voor Bureau Jeugdzorg onbekende plaats in Duitsland.

Bureau Jeugdzorg heeft op 7 januari 2013 een verzoekschrift ingediend tot verlenging van de termijn voor de ondertoezichtstelling en voor de machtiging uithuisplaatsing voor de duur van een jaar. Het hof heeft de termijn daadwerkelijk verlengd.

Het hof had voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter aansluiting gezocht bij de initiële procedure. Destijds bevonden de kinderen zich op het moment dat de rechter zich over de zaak boog eveneens in Duitsland. Op het moment van indiening van het verzoek bevonden zij zich echter in Nederland, reden waarom de Nederlandse rechter zich bevoegd achtte.

Hoewel de onderhavige procedure tot verlenging van de eerder uitgesproken kinderbeschermingsmaatregelen samenhangt met eerder gevoerde procedures, oordeelt de Hoge Raad dat sprake is van een zelfstandig geding dat met een nieuw verzoekschrift is ingeleid. Daarom dient de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van de in dit geding verzochte verlenging van de eerder uitgesproken kinderbeschermingsmaatregelen zelfstandig te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in Brussel II-bis.

Ingevolge art. 8 lid 1 Brussel II-bis komt ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegdheid toe aan de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Dit brengt volgens de Hoge Raad mee dat het hof de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter had dienen te onderzoeken aan de hand van de feiten en omstandigheden ten tijde van het inleiden van het onderhavige geding, dat wil zeggen: 7 januari 2013. Door aansluiting te zoeken bij hetgeen eerder is overwogen over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter, is het hof dan ook uitgegaan van een onjuiste peildatum.

De Hoge Raad geeft verder aanwijzingen voor het onderzoek van de zaak na verwijzing. Het hof waarnaar de zaak wordt verwezen dient tevens te onderzoeken of sprake is van ongeoorloofde overbrenging van de kinderen naar Duitsland als bedoeld in art. 10 Brussel II-bis, en, zo ja, of de Nederlandse rechter ingevolge deze bepaling zijn internationale bevoegdheid heeft behouden. Indien zou komen vast te staan dat de Nederlandse rechter ingevolge art. 10 Brussel II-bis zijn internationale bevoegdheid heeft behouden, dient vervolgens te worden onderzocht of er grond is om op de voet van art. 15 Brussel II-bis het gerecht in Duitsland te verzoeken zijn bevoegdheid uit te oefenen teneinde de behandeling van de zaak van de Nederlandse rechter over te nemen.

Share This