Selecteer een pagina

HR 18 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:452

De ouderlijke verplichting om het minderjarige kind te verzorgen en op te voeden omvat mede het geven van informatie over zijn afstamming (‘statusvoorlichting’). In beginsel is het aan de ouder die het gezag uitoefent om daartoe het geschikte moment te kiezen, maar daarbij dient het belang van het kind voorop te staan. Gelet daarop mocht het hof in dit geval, waarin het kind is verwekt met zaad van een (aan de ouders bekend) donor die niet het gezag over hem uitoefent, bepalen dat het kind voorafgaand aan het volgende omgangsmoment statusvoorlichting zal krijgen.

Achtergrond van deze zaak 

De biologische moeder en adoptiemoeder (verweersters in cassatie, hierna: de moeders) zijn sinds 2005 geregistreerd partners. Via een advertentie zijn zij in contact gekomen met een spermadonor (eiser in cassatie, hierna: de man), welk contact heeft geresulteerd in een donorovereenkomst. Nadat de biologische moeder via kunstmatige zelfinseminatie met zaad van de man zwanger werd, is in 2008 het kind geboren. De adoptiemoeder heeft het kind in 2009 met toestemming van de man geadopteerd; sindsdien oefenen de moeders gezamenlijk het gezag uit over het kind.

Terwijl er oorspronkelijk een zekere omgang tussen de man en het kind plaatsvond, is het contact in januari 2010 gestopt. Een daarop door de man ingestelde (eerste) procedure heeft geresulteerd in mediation, waarbij partijen een vaststellingsovereenkomst met daarin een bezoekregeling voor de jaren 2011 en 2012 hebben gesloten. In 2013 hebben de moeders het contact tussen de man en het kind echter verbroken. In onderhavige (tweede) procedure wenst de man een omgangsregeling (art. 1:377a lid 2 BW) en informatieregeling vast te stellen.

Anders dan de rechtbank, heeft het hof de man ontvankelijk verklaard. Bij beschikking heeft het hof, onder meer, bepaald dat de man en het kind – na ommekomst van één jaar – minimaal eenmaal per jaar omgang met elkaar zullen hebben binnen een week na de verjaardag van het kind en dat de moeders het kind vóór diens verjaardag op 30 april 2016 statusvoorlichting zullen geven over het feit dat de man de biologische vader is. De reden om een en ander pas na verloop van één jaar te doen ingaan is gelegen in de (geringe) draagkracht van de moeders en het gegeven dat het contact met de man bij hen veel spanning oproept; in samenspraak met de hulpverlening moeten zij echter in staat zijn na één jaar het contact met de man te ondersteunen.

De man is tegen dit arrest in cassatie gegaan en de moeders hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het belang van deze zaak is uitsluitend gelegen in het incidenteel cassatieberoep, daar het principaal beroep – dat zich kort gezegd keerde tegen ’s hofs beslissing om de omgangsregeling pas na ommekomst van één jaar te doen ingaan –door de Hoge Raad op grond van art. 81 RO werd verworpen.

Cassatie

Het incidenteel cassatiemiddel klaagt, voor zover van belang, dat ’s hofs beslissing om de ouders te verplichten vóór een bepaalde datum statusvoorlichting te geven, geen steun vindt in het recht en dat het (daarentegen) tot het recht op family life ex art. 8 EVRM behoort dat ouders (in casu de moeders) zelf mogen bepalen wat het beste moment is om het kind dat via een donor is verwekt, mee te delen wie de vader is. Verder stellen zij dat de man geen ouder is en geen zeggenschap heeft over (de opvoeding van) het kind en dat het hem toekomende family life niet zo ver gaat dat hij (mede) kan bepalen hoe de ouders invulling geven aan de opvoeding. Tot slot stellen de moeders dat ook de rechter daarin niet eenzijdig mag ingrijpen.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen. De Hoge Raad stelt voorop dat het kind en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat ingevolge art. 8 EVRM en art. 1:377a lid 1 BW recht hebben op toegang met elkaar en dat – bij gebreke van een zodanige betrekking – hetzelfde voortvloeit uit het recht op private life ex art. 8 EVRM (rov. 5.1.2). Uit dit recht op private life vloeit eveneens voort dat het kind recht heeft om te weten van wie het afstamt (rov. 5.1.3).

Daarna overweegt de Hoge Raad dat het ouderlijk gezag ex art. 1:247 BW de plicht en het recht van de ouder omvat zijn minderjarig kind te verzorgen en dat deze plicht mede omvat het geestelijke en lichamelijke welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De Hoge Raad vervolgt (rov. 5.1.4):

“5.1.4 (…) Tot de zorg en verantwoordelijkheid voor het geestelijk welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van het kind behoort het geven van informatie over zijn afstamming (‘statusvoorlichting’). Het is daarom aan de ouder die het gezag uitoefent om het kind die informatie te geven. In beginsel is het aan deze ouder voorbehouden het daartoe geschikte moment te bepalen. Daarbij dient evenwel het belang van het kind voorop te staan. Ouderlijk gezag is immers weliswaar een aan de ouders toekomend ‘recht’, maar dit recht is gegeven in het belang van het kind en kan daarom niet los worden gezien van de verplichting dat belang te dienen (HR 25 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2714, NJ 1999/379).

5.1.5 In een geval als het onderhavige, waarin het kind is verwekt met zaad van een (aan de ouders bekende) donor die niet het gezag over hem uitoefent, kan het belang van het kind met het oog op effectuering van het recht op omgang met zijn biologische vader meebrengen dat het kind te horen krijgt dat degene met wie het omgang zal hebben zijn vader is. Indien de rechter van oordeel is dat een zodanig geval zich voordoet, kan hij bepalen dat het kind voorafgaand aan een volgend moment van omgang statusvoorlichting zal krijgen. In zoverre prevaleert in dat geval het rechterlijk oordeel omtrent hetgeen het belang van het kind bij het kennen van zijn afstamming met het oog op de omgang meebrengt, boven het recht van de ouders te bepalen op welk moment het kind die informatie zal krijgen.”

De Hoge Raad laat dus – overeenkomstig de conclusie van de A-G – ’s hofs oordeel in stand. Door een omgangsregeling met ingang van mei 2016 vast te stellen en tevens te bepalen dat de moeders het kind voor 30 april 2016 statusvoorlichting dienen te geven, had het hof immers tot uitdrukking gebracht dat het belang van het kind meebrengt dat de ouders hem, voordat omgang daadwerkelijk plaatsvindt, vertellen dat de man zijn biologische vader is. Dit oordeel getuigt van een juiste rechtsopvatting (rov. 5.1.6).

Share This