HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1689 (Achmea/Verweerder)

(1) Van een uitspraak in het hoger beroep tegen een inhoudelijke deelgeschilbeslissing op de voet van art. 1019cc lid 3 Rv staat cassatieberoep open. Betreft het een tussentijds hoger beroep in de zin van art. 1019cc lid 3 sub a Rv, dan is voor ontvankelijkheid van het cassatieberoep verlof van het gerechtshof vereist. (2) Het geding waarin op de voet van art. 1019cc lid 3 Rv wordt opgekomen tegen een deelgeschilbeslissing is een dagvaardingsprocedure. (3) De regeling van art. 1019aa Rv voor de begroting van de proceskosten is niet van toepassing in de dagvaardingsprocedure waarin op de voet van art. 1019cc lid 3 Rv wordt opgekomen tegen een deelgeschilbeslissing.

Inleiding; de deelgeschilprocedure

De in 2010 ingevoerde deelgeschilprocedure (art. 1019w e.v. Rv) is een speciale verzoekschriftprocedure waarin geschillen over letsel- en overlijdensschade gedeeltelijk aan de rechter kunnen worden voorgelegd. Het betreft een relatief eenvoudige procedure, gericht op de bevordering van een buitengerechtelijke afwikkeling van personenschadeclaims.

Van een deelgeschilbeschikking staat (omwille van een vlotte buitengerechtelijke afwikkeling) in beginsel geen rechtsmiddel open (art. 1019bb Rv). Wel is hoger beroep en eventueel cassatie mogelijk met een beroep op de doorbrekingsgronden (HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:943, CB 2014-91). Daarnaast bestaat de mogelijkheid om, als het tot een bodemprocedure is gekomen (en het geschil dus toch al is gejuridiseerd), in het kader van die bodemprocedure (alsnog) hoger beroep in te stellen tegen inhoudelijke beslissingen van de deelgeschilrechter (art. 1019cc lid 3 Rv). Zulke beslissingen hebben namelijk in de bodemprocedure dezelfde werking als een bindende eindbeslissing in een tussenvonnis (art. 1019cc lid 1 Rv). Het hoger beroep van deelgeschilbeslissingen kan tegelijk met het hoger beroep van het eindvonnis (lid 3 sub b) of tussentijds worden ingesteld (lid 3 sub a). Voor dit laatste is verlof van de rechter in eerste aanleg vereist (idem).

Tot op heden was nog niet uitgemaakt of na hoger beroep van een deelgeschilbeslissing op de voet van art. 1019cc lid 3 Rv ook cassatieberoep openstaat. De Hoge Raad beantwoordt die vraag (niet geheel verrassend) bevestigend. Tevens grijpt hij de onderhavige zaak aan om een en ander te verduidelijken over het karakter van de beroepsprocedure op grond van art. 1019cc lid 3 Rv. Kort samengevat luidt de boodschap dat deze beroepsprocedure een “gewoon” onderdeel van de bodemprocedure is (in plaats van een verlengstuk van de deelgeschilprocedure). De Hoge Raad volgt hiermee de principieel opgezette conclusie van A-G Wesseling-van Gent.

Feiten

De zaak betrof een arbeidsongeval, dat eerst tot een deelgeschilprocedure en vervolgens tot de onderhavige (bodem)procedure heeft geleid. Achmea heeft op de voet van art. 1019cc lid 3 sub a Rv tussentijds hoger beroep en vervolgens cassatieberoep ingesteld tegen de litigieuze deelgeschilbeschikking. Het materiële deelgeschil – de vraag of de aan het slachtoffer van een bedrijfsongeval gedane uitkering onder een sommenverzekering op de voet van art. 6:100 BW in mindering behoort te komen op het schadebedrag dat door de aansprakelijkheidsverzekeraar van de werkgever wordt uitgekeerd – komt in cassatie niet aan de orde, omdat Achmea (bij gebreke van verlof) niet-ontvankelijk wordt verklaard. Wel laat de Hoge Raad zich uit over de begroting van de proceskosten van verweerder (het enige resterende inhoudelijke punt).

Ontvankelijkheid cassatieberoep en verlofvereiste

Kan in aansluiting op een hoger beroep van een deelgeschilbeschikking ex art. 1019cc lid 3 Rv ook cassatieberoep worden ingesteld? De wet vermeldt dit niet met zoveel woorden, maar de memorie van toelichting, die de Hoge Raad in rov. 4.5.3 citeert, bevat de opmerking dat het “doelmatig” kan zijn indien partijen een cruciale kwestie “bij het gerechtshof (en eventueel bij de Hoge Raad) kunnen uitprocederen”. Met deze verwijzing tussen haakjes neemt de Hoge Raad genoegen, mede onder verwijzing naar de hoofdregel van art. 398 Rv:

“4.5.4 Tegen deze achtergrond moet worden aangenomen dat ingevolge art. 1019cc lid 3 Rv in verbinding met art. 398 Rv ook cassatieberoep openstaat tegen de uitspraak in het hoger beroep dat op de voet van art. 1019cc lid 3 Rv tegen een deelgeschilbeschikking is ingesteld.”

Vervolgvraag is of, na verkregen verlof van de rechtbank voor het instellen van tussentijds hoger beroep, voor het instellen van een daarop volgend (tussentijds) cassatieberoep (wederom) verlof is vereist en zo ja, bij welke rechter dit verlof moet worden gevraagd (rechtbank of hof). De Hoge Raad zoekt aansluiting bij de hoofdregel voor het instellen van tussentijds cassatieberoep:

“4.5.4 Voor beroep in cassatie tegen een tussenuitspraak is verlof van het gerechtshof vereist, gezien art. 1019cc lid 3, aanhef en onder a, Rv in verbinding met art. 401a lid 2 Rv. Een uitspraak in het hoger beroep tegen een deelgeschilbeschikking dat is ingesteld op de voet van art. 1019cc lid 3, aanhef en onder a, Rv (met verlof van de rechter in eerste aanleg), is een tussenuitspraak, tenzij het hof met toepassing van art. 355, tweede volzin, Rv zelf de zaak heeft afgedaan.”

Hiermee is het lot van Achmea’s cassatieberoep bezegeld, want zij had geen verlof voor het instellen van (tussentijds) cassatieberoep gevraagd en wordt dus niet-ontvankelijk verklaard (rov. 4.6). Bezien vanuit het uitgangspunt dat het hoger beroep ex art. 1019cc lid 3 Rv een onderdeel is van de bodemprocedure, is dat volkomen logisch. Zoals de Hoge Raad onder verwijzing naar art. 401a lid 2 Rv opmerkt, geldt immers in het algemeen dat voor een tussentijds cassatieberoep na een tussentijds hoger beroep (opnieuw) verlof moet worden gevraagd. In de praktijk (en mogelijk ook in dit geval) wordt dat nog wel eens over het hoofd gezien.

Dagvaardings- of verzoekschriftprocedure?

Een volgende processuele kwestie die in het arrest aan de orde komt, is de vraag of de beroepsprocedure ex art. 1019cc lid 3 Rv (als verlengstuk van de deelgeschilprocedure) een verzoekschriftprocedure is dan wel (als onderdeel van de bodemprocedure) een dagvaardingsprocedure. Achmea had hoger beroep ingesteld bij dagvaarding, maar het hof had met toepassing van art. 69 Rv een beschikking gewezen (vanuit de gedachte dat het hoger beroep een verlengstuk van de deelgeschilprocedure, dus een verzoekschriftprocedure was). Achmea had het bij het rechte eind, zo oordeelt de Hoge Raad:

“4.7.2 Blijkens de tekst en de strekking van art. 1019cc lid 3 Rv (zie hiervoor in 4.5.2 en 4.5.3) is het geding waarin op de voet van die bepaling (mede) wordt opgekomen tegen een beschikking in een deelgeschil, een dagvaardingsprocedure. De aansprakelijkheidszaak die in de art. 1019w en 1019cc lid 3 Rv is aangeduid als de procedure ten principale, is immers een dagvaardingsprocedure.”

Overigens had Achmea, voortbouwend op ’s hofs (onjuiste) oordeel, haar cassatieberoep bij verzoekschrift ingesteld. De Hoge Raad noemt dit “begrijpelijk” (rov. 4.8.1) en doet met toepassing van art. 69 Rv uitspraak bij arrest (rov. 4.8.3).

Volledige proceskostenbegroting?

Wegens niet-ontvankelijkheid van Achmea resteert in cassatie alleen nog de door verweerder opgeworpen vraag of diens proceskosten voor begroting op de voet van art. 1019aa Rv in aanmerking komen (rov. 4.3.1). Deze bepaling houdt in dat in het kader van de deelgeschilprocedure de door het slachtoffer gemaakte proceskosten als buitengerechtelijke kosten in de zin van art. 6:96 lid 2 BW (dus in beginsel volledig) voor vergoeding in aanmerking komen. De achterliggende gedachte is dat de deelgeschilprocedure zozeer is verbonden met de buitengerechtelijke afwikkeling, dat de daarvoor gemaakte proceskosten ook mogen worden beschouwd als buitengerechtelijke kosten.

Vraag is nu of hetzelfde geldt in hoger beroep en cassatie. Wel indien het gaat om hoger beroep c.q. cassatie in de deelgeschilprocedure, met een beroep op de doorbrekingsgronden, zo oordeelde de Hoge Raad in zijn eerder genoemde arrest uit 2014 (rov. 5.6-5.7). Maar niet in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om (hoger beroep en) cassatie van een deelgeschilbeslissing in de bodemprocedure, zo oordeelt de Hoge Raad thans in rov. 4.9.3, onder verwijzing naar de totstandkomingsgeschiedenis van art. 1019aa Rv. Verweerder moet dus genoegen nemen met een forfaitaire vergoeding volgens het liquidatietarief.

De slotsom luidt dat de deelgeschilprocedure met haar processuele bijzonderheden een gepasseerd station is, indien in het kader van de bodemprocedure op de voet van art. 1019cc lid 3 Rv hoger beroep (respectievelijk cassatieberoep) wordt ingesteld tegen inhoudelijke beslissingen van de deelgeschilrechter.

Share This