Selecteer een pagina

HR 31 augustus 2018 ECLI:NL:HR:2018:1414

Met de art. 821-826 Rv voor de scheidingsprocedure heeft de wetgever voorzien in een bijzondere, kennelijk uitputtende regeling van voorlopige voorzieningen in die procedure. Daarmee is niet goed te verenigen dat een dergelijke voorlopige voorziening ook op de voet van art. 223 Rv zou kunnen worden gevraagd.

In scheidingsprocedures kan iedere echtgenoot de rechter verzoeken om voor de duur van het geding een voorlopige voorziening te treffen. Het gaat daarbij onder meer om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, de voorlopige toevertrouwing van de kinderen aan één van de echtgenoten en de vaststelling van voorlopige kinder- of partneralimentatie. Zie art. 822 en 823 Rv.

De wetgever heeft willen voorkomen dat in scheidingsprocedures zowel een mogelijke leemte tussen, als een mogelijke overlapping van een voorlopige voorziening en een daarmee corresponderende definitieve voorziening ontstaat. Om die reden kan een voorlopige voorziening worden gevraagd tot het tijdstip waarop een zodanige voorziening haar kracht verliest. Zie art. 821 lid 1 Rv. Hoofdregel is dat een voorlopige voorziening haar kracht verliest zodra de scheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de openbare registers of de mogelijkheid daartoe vervalt. Zie art. 826 Rv. Ten aanzien van partneralimentatie geldt dat een daarop betrekking hebbende voorlopige voorziening van kracht blijft totdat de beslissing op een verzoek tot het vaststellen van definitieve partneralimentatie bij toewijzing voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt, dan wel bij afwijzing in kracht van gewijsde gaat. Zie art. 826 lid 1 sub c Rv.

In de zaak die ten grondslag ligt aan de onderhavige cassatie in het belang der wet (zie daarover art. 78 lid 1 RO) had de rechtbank in haar echtscheidingsbeschikking van 12 juni 2015 de definitieve partneralimentatie vastgesteld voor de periode gelegen tussen de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en 1 december 2015 en deze beslissing bovendien uitvoerbaar bij voorraad verklaard.  De beslissing ter zake de partneralimentatie kon derhalve ten uitvoer worden gelegd voordat de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde zou gaan.

De vrouw stelde vervolgens hoger beroep in. Hangende dit hoger beroep eindigde de definitieve partneralimentatie. Om die reden verzocht de vrouw het hof om een voorlopige voorziening terzake de partneralimentatie. Daartoe kon de vrouw geen beroep doen op de regeling van art. 821 Rv e.v. omdat uit art. 821 lid 1 Rv jo. art. 826 lid 1, aanhef en onder c, Rv volgt dat voor de periode gelegen tussen het eindigen van de definitieve partneralimentatie en de afloop van het hoger beroep geen voorlopige voorziening kan worden gevraagd. De vrouw zocht de grondslag van haar verzoek dan ook in art. 223 Rv, dat een algemene regeling geeft voor het treffen van voorlopige voorzieningen hangende een dagvaardingsprocedure in eerste aanleg.

Het hof wees dit verzoek toe, onder verwijzing naar HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533, NJ 2016/261, besproken in CB 2014-196. In die uitspraak, waaraan geen scheidingsprocedure, maar een wijzigingsprocedure kinderalimentatie ten grondslag lag, besliste de Hoge Raad dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv op verzoekschriftprocedures. De Hoge Raad oordeelde in dit verband dat er geen aanwijzingen zijn dat de wetgever, door alleen in zaken van echtscheiding en scheiding van tafel en bed voorlopige voorzieningen wettelijk te regelen (art. 821-826 Rv), daarbuiten de mogelijkheid van een voorlopige voorziening in de verzoekschriftprocedure heeft willen uitsluiten. Na deze uitspraak rees de vraag of ook binnen de regeling van de scheidingsprocedure als bedoeld in art. 821 – 826 Rv ruimte bestaat voor een voorlopige voorziening op de voet van art. 223 lid 1 Rv. Een vraag die in de lagere rechtspraak verschillend is beantwoord.

In de onderhavige zaak geeft de Hoge Raad uitsluitsel: binnen de regeling van de scheidingsprocedure als bedoeld in art. 821 – 826 Rv is géén ruimte voor een voorlopige voorziening op de voet van art. 223 lid 1 Rv. De Hoge Raad wijs in dit verband op het lex specialis-karakter van de regeling in artikel 821 Rv e.v.:

3.4.3 Aanvaarding van de mogelijkheid om binnen een scheidingsprocedure met overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen, staat op gespannen voet met het feit dat de wetgever met de art. 821-826 Rv voor de scheidingsprocedure heeft voorzien in een bijzondere regeling van voorlopige voorzieningen in die procedure. Hiermee is kennelijk beoogd een uitputtende regeling te treffen van voorlopige voorzieningen die kenmerkend zijn voor een scheidingsprocedure. Daarmee is niet goed te verenigen dat een dergelijke voorziening ook op de voet van art. 223 Rv zou kunnen worden gevraagd.”

Het college wijst tevens op de verschillen tussen een voorlopige voorziening die is gegrond op deze bijzondere regeling enerzijds en een voorlopige voorziening gegrond op art. 223 Rv anderzijds.

3.4.4 Het voorgaande klemt te meer nu de regeling van de voorlopige voorzieningen in het kader van een scheidingsprocedure aanmerkelijk afwijkt van die van art. 223 Rv. Zo blijft een voorlopige voorziening op de voet van art. 223 Rv van kracht totdat de vordering in de hoofdzaak is ingetrokken, dan wel de einduitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Verder heeft de wetgever voor de voorlopige voorzieningen bij scheiding ervoor gekozen gewone rechtsmiddelen tegen een op grond van art. 822 Rv gegeven beschikking uit te sluiten (zie art. 824 lid 1 Rv), maar binnen zekere grenzen wel wijziging of intrekking van zodanige beschikking mogelijk te maken (namelijk in de in art. 824 lid 2 Rv omschreven gevallen). Deze keuze berust onder meer op de wens een vlot verloop van de scheidingsprocedure te bevorderen (zie Kamerstukken II 1985/86, 19242, nr. 3, p. 4-5 en Kamerstukken II 1990/91, 21881, nr. 3, p. 8-9). Daarentegen kan van een beslissing op de voet van art. 223 Rv direct hoger beroep en cassatieberoep worden ingesteld (zie art. 337 lid 1 Rv en art. 401a lid 1 Rv).”

Volgt vernietiging in het belang der wet.

Een oplossing voor de problematiek die in de onderhavige zaak aan de orde was – kort gezegd: een leemte in de onderhoudsvoorziening van één van de partners hangende het hoger beroep  – dient derhalve door de wetgever te worden gegeven. Zie in dit verband de (ook overigens: lezenswaardige) conclusie van de Procureur-Generaal  § 2.20.

Share This