HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6079 (X/ZLTO) en
HR 28 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ6080 (ZLTO/Interpolis).

De verliezende eiser in de hoofdzaak kan niet worden veroordeeld in de kosten die de gedaagde in de hoofdzaak als eiser in de vrijwaringszaak heeft gemaakt: noch in diens eigen kosten, noch in de proceskosten waarin de eiser in de vrijwaringszaak is veroordeeld.

Wanneer een gedaagde partij zijn mogelijke aansprakelijkheid denkt te kunnen afwentelen op een derde (bijvoorbeeld zijn verzekeraar die dekking weigert, of zijn ondergeschikte die feitelijk door grove schuld de schade heeft veroorzaakt), kan hij die derde in vrijwaring oproepen (art. 210 Rv). De parallelle vrijwaringsprocedure tussen de gedaagde in de hoofdzaak als eiser in vrijwaring (de “gewaarborgde”) en de gedaagde in vrijwaring (de “waarborg”) wordt door dezelfde rechter behandeld; wel zo efficiënt, en het voorkomt tegenstrijdige beslissingen over hetzelfde feitencomplex. Als de hoofdzaak en de zaak in vrijwaring tegelijk in staat van wijzen zijn, wordt daarin gelijktijdig beslist (art. 215 Rv).

Wordt de vordering in de hoofdzaak afgewezen omdat de gedaagde niet aansprakelijk is, dan is dus ook de waarborg niet aansprakelijk, en wordt de vordering in de vrijwaringszaak eveneens afgewezen. De eiser in de hoofdzaak zal dan in de proceskosten van de gedaagde in de hoofdzaak worden veroordeeld. De gedaagde in de hoofdzaak zal als eiser in de vrijwaringsprocedure worden veroordeeld in de kosten van de waarborg. Daarnaast heeft hij eigen kosten gemaakt voor het voeren van de vrijwaringsprocedure. In onder meer HR 26 maart 1993, NJ 1993, 613 en HR 10 augustus 2011, ECLI:NL:HR:2011:ZC3645 oordeelde de Hoge Raad dat het terecht is om de eiser in de hoofdzaak ook te veroordelen in de kosten waarin de gedaagde (in de hoofdzaak) als gewaarborgde in de vrijwaringsprocedure is veroordeeld, als die gewaarborgde tenminste voldoende belang bij die vrijwaringsprocedure had. Daarvoor bestaat geen expliciete grondslag in de wet, maar het is tot op zekere hoogte wel billijk: de gewaarborgde had die kosten immers niet gehad als de eiser in de hoofdzaak hem niet ten onrechte had gedagvaard.

Dit was ook gebeurd in de zaak van X. tegen ZLTO, die haar verzekeraar Interpolis in vrijwaring had opgeroepen: het hof bracht zowel de eigen kosten van ZLTO als de kostenveroordeling uit de vrijwaringsprocedure voor rekening van X. Die klaagde vervolgens in cassatie dat alleen de kostenveroordeling uit de vrijwaringsprocedure (dus de kosten van Interpolis waarin ZLTO was veroordeeld) mocht worden “doorgeschoven” naar de hoofdzaak, maar niet de eigen kosten van ZLTO. Uit de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad kon namelijk alleen met zekerheid worden afgeleid dat de kostenveroordeling kon worden doorgeschoven.

In een verrassend en uitvoerig gemotiveerd arrest acht de Hoge Raad niet alleen deze klacht gegrond, maar gaat hij nog verder: niet alleen de eigen kosten, maar ook de kostenveroordeling mag niet worden doorgeschoven naar de hoofdzaak. Daarmee komt de Hoge Raad dus terug van zijn eerdere rechtspraak. De Hoge Raad overweegt, samengevat, dat de vrijwaringsprocedure ook geheel los van de hoofdzaak kan worden ingesteld en dat de gewaarborgde, met name om kosten te besparen, daarmee kan wachten totdat in de hoofdzaak een veroordelend vonnis tegen hem is verkregen. De grondslag voor het verhaal hoeft bovendien geen enkele samenhang te hebben met de grondslag waarop de vordering in de hoofdzaak berust. Dat er een processueel belang bestaat bij het gelijktijdig behandelen van de vordering in de hoofdzaak en de vrijwaringsvordering, wettigt nog niet het doorschuiven van de kosten. Bij dit alles komt, aldus de Hoge Raad, dat de eiser in de hoofdzaak door het doorschuiven van kosten geconfronteerd wordt met een kostenpost (a) waarop hij niet behoefde te rekenen, (b) waarop hij geen invloed kan uitoefenen omdat hij geen partij is in het vrijwaringsgeding, en (c) die van aanzienlijke omvang kan zijn.

In dat laatste verband laat de Hoge Raad subtiel zijn (eerder geuite) zorgen doorklinken over het inmiddels ingediende Wetsvoorstel kostendekkende griffierechten:

 “In verband met [de mogelijk aanzienlijke omvang van de kosten] kan niet voorbijgegaan worden aan de voortdurende stijging van de proceskosten als gevolg van met name opeenvolgende verhogingen van griffierechten, welke verhogingen niet enkel hun oorzaak vinden in de stijging van kosten van levensonderhoud en inflatie, maar vooral in het overheidsbeleid dat er in toenemende mate op gericht is de rechtzoekende in civiele zaken meer te laten meebetalen aan de kosten van de rechtspleging.”

en wijst hij op art. 1019h Rv, dat in IE-zaken in beginsel volledige proceskosten in plaats van toepassing van het liquidatietarief voorschrijft. Fijntjes haalt de Hoge Raad een passage uit de parlementaire geschiedenis aan, waaruit blijkt dat het liquidatietarief moet waarborgen

dat het verbod van eigenrichting en de daarmee samenhangende, vrijwel onbeperkte vrijheid een ander in rechte te betrekken en zich in rechte tegen eens anders aanspraken te verdedigen, kan meebrengen dat het gerechtvaardigd is de kosten van het geding […] over partijen te verdelen op een wijze waarbij aan overwegingen van procesrisico en procesbeleid mede betekenis wordt toegekend, onder meer om te voorkomen dat de voormelde vrijheid door vrees voor een veroordeling tot omvangrijke proceskosten in gevaar zou worden gebracht.

Het verbod van eigenrichting en de vrijheid te procederen bij de rechter zijn niet alleen in IE-zaken in het geding, lijkt de Hoge Raad tussen de regels door te willen zeggen. In elk geval vormt in deze tijd het billijkheidsargument voor de Hoge Raad geen voldoende rechtvaardiging meer voor het doorschuiven van de proceskosten.

In deze zaak liet de Hoge Raad de kostenveroordeling van ZLTO in de kosten van Interpolis overigens toch voor rekening van X., omdat in cassatie dáárover niet was geklaagd. In civiele zaken is, anders dan in straf- en belastingzaken, ambtshalve cassatie (buiten de middelen om) namelijk niet mogelijk. Ironisch, en wel wat zuur voor X.: dan dien je naast je hoofdklachten (die ongegrond werden bevonden, waardoor de vrijwaringszaak in cassatie ook in een verwerping is geëindigd) een middel in waarin je volgens de regelen der kunst de vaste rechtspraak van de Hoge Raad in acht neemt, maar waarin je probeert (waarschijnlijk met lage verwachtingen) toch nog een klein, in de rechtspraak nog onbeslist aspect in jouw voordeel te doen beslissen. En dan grijpt de Hoge Raad jouw zaak aan om zijn rechtspraak nog verdergaand te wijzigen en krijg je nog méér gelijk dan waar je wat aan hebt. Maar dat was iets, net als de procedure in vrijwaring, waarop (de cassatieadvocaat van) X. niet behoefde te rekenen.

Share This