HR 8 juli 2011, LJN ECLI:NL:HR:2011:BQ3883 (wsnp), ECLI:NL:HR:2011:BQ3890 (ots), ECLI:NL:HR:2011:BQ2800 (maatschappen)

Geen griffierecht is verschuldigd in hoger beroep en cassatie in een procedure over de toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Hetzelfde geldt voor procedures over de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de ontheffing of de ontzetting uit het gezag of voogdij over minderjarigen. Maatschappen moeten het tarief voor rechtspersonen betalen.

De Hoge Raad heeft vandaag met drie uitspraken duidelijkheid gegeven over de interpretatie van enkele bepalingen uit de Wet griffierechten burgerlijke zaken.

De eerste zaak ging over een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling door een tijdelijk arbeidsongeschikte verzoekster. De Hoge Raad had al eerder uitspraak gedaan in de “hoofdzaak” (hier besproken), maar er liep nog een verzetprocedure tegen het door de griffier van de Hoge Raad geheven griffierecht. Art. 4 lid 2 aanhef en sub i Wgbz bepaalt dat geen griffierecht verschuldigd is voor de indiening van een verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. De vraag was of deze vrijstelling ook gold in (hoger beroep en) cassatie. Wie de Wgbz letterlijk of wetssystematisch interpreteert, moet concluderen dat dan wél griffierecht verschuldigd is.

In navolging van A-G Langemeijer beslist de Hoge Raad echter anders:

“Het thans ingevolge de Wgbz verschuldigde griffierecht voor on- en minvermogenden bedraagt in eerste aanleg € 71,–, in hoger beroep € 284,– en in cassatie € 294,–. De wetgever is blijkens de opneming van art. 4 lid 2, aanhef en onder i, kennelijk van oordeel dat van personen die bij de rechtbank een verzoek indienen tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet gevergd kan worden het bedrag van € 71,– aan griffierechten te betalen. Bij dat uitgangspunt en gelet op de hiervoor in 2.3 vermelde ratio – geen financiële drempels opwerpen bij een verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling – alsmede het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, moet die wetsbepaling aldus worden uitgelegd dat niet slechts in eerste aanleg maar ook in hoger beroep en cassatie geen griffierecht verschuldigd is door personen wier verzoekschrift is gericht op toepassing van de schuldsaneringsregeling. Daarbij is in aanmerking genomen dat het hierbij in de regel gaat om personen die gelet op hun schuldenlast minder financiële draagkracht hebben dan bijstandsgerechtigden, en derhalve over onvoldoende financiële draagkracht beschikken om het in hoger beroep en in cassatie verschuldigde griffierecht te betalen. Dat de wetgever het heffen van hogere tarieven in hoger beroep en cassatie heeft bedoeld als prikkel ter voorkoming van onnodig gebruik van de rechtspraak (zie de citaten vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.18 en 2.19) kan daaraan niet afdoen.”

De Hoge Raad had voor deze beslissing kunnen volstaan met een verwijzing naar de parlemetaire geschiedenis, waarin de wetgever altijd van een vrijstelling is uitgegaan. In de internetconsultatie Reparatiewet Wgbz is bovendien aangekondigd de vrijstelling voor hoger beroep en cassatie expliciet in de wet op te nemen. Niettemin noemt de Hoge Raad expliciet art. 6 EVRM en overweegt hij dat het “prikkel”-argument niet zwaar meeweegt. Gewoon een uitgebreide motivering, of toch een bewuste vingerwijzing nu er discussie bestaat over het voornemen de griffierechten fors te verhogen?

In de tweede zaak heeft de Hoge Raad ook een vrijstelling van griffierecht in hoger beroep en cassatie aanvaard in zaken waarin een moeder in cassatie opkwam tegen de bekrachtiging van een beschikking waarin een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van haar zoon waren verlengd. In art. 1 lid 1 aanhef en sub f Regeling griffierechten burgerlijke zaken is ook “de indiening van een verzoekschrift strekkende tot en in verband met de ondertoezichtstelling van minderjarigen alsmede strekkende tot en in verband met de ontheffing of de ontzetting uit het gezag of voogdij over minderjarigen” van griffierecht uitgezonderd. Nu had de moeder in eerste aanleg geen verzoekschrift ingediend, maar een verweerschrift en over hoger beroep en cassatie zegt de regeling niets. Ook een cassatierekest valt echter onder de vrijstelling, vindt de Hoge Raad:

“Het beroepschrift in cassatie van de moeder moet […] worden aangemerkt als een verzoekschrift in verband met de ondertoezichtstelling van minderjarigen als bedoeld in art. 1 lid 1, aanhef en onder f, van de Regeling griffierechten burgerlijke zaken, dat is vrijgesteld van de heffing van griffierechten.”

Onder de Wgbz zijn maatschappen wel duur uit. De wet kent drie tariefklasses voor griffierechten: voor natuurlijke personen, voor rechtspersonen en voor onvermogenden. In de derde zaak over griffierechten waarin de Hoge Raad op 8 juli 2011 uitspraak deed, kwam een maatschap in verzet tegen de beslissing van de griffier van de Hoge Raad om het tarief voor rechtspersonen toe te passen. Maatschappen zijn immers geen rechtspersonen. Maar maatschappen zijn ook geen natuurlijke personen, zegt de Hoge Raad, en hoewel de aanduiding rechtspersonen voor andere partijen dan niet-natuurlijke personen “minder gelukkig” is, meent de Hoge Raad wel dat de wetgever daarmee ook maatschappen heeft bedoeld:

“Juist is dat een maatschap geen rechtspersoon is, doch evenmin staat ter discussie dat zij niet als een natuurlijke persoon kan worden beschouwd. In een dergelijk geval moet een keuze worden gemaakt die bij gebrek aan nadere toelichting vooral bepaald wordt door een redelijke wetstoepassing in overeenstemming met doel en strekking van de wet. Het begrip natuurlijke personen leent zich aanzienlijk minder voor een ruime uitleg dan het begrip rechtspersoon. Kennelijk is de strekking van de wet dat voor natuurlijke personen, zoals dit begrip in het rechtsverkeer pleegt te worden verstaan, het lage tarief geldt en voor alle andere procespartijen, die zijn samengevoegd onder de minder gelukkige benaming rechtspersonen, het hoge tarief van toepassing is. Daarom moet worden aangenomen dat een maatschap het hoge tarief is verschuldigd. Deze uitleg strookt overigens met de in de praktijk niet omstreden toepassing van de voorheen geldende soortgelijke regelgeving op dit vlak. Aldus is van strijd met het legaliteits- dan wel (naar kennelijk is bedoeld:) wetmatigheidsbeginsel geen sprake.”

De auteur heeft in de wsnp-zaak de verzetprocedure in cassatie gevoerd.

Share This