Selecteer een pagina

HR (Strafkamer) 11 september 2012, LJN BX0132; BX0129; BX0146 en BX7004

Alle arresten die de civiele kamer op 14 september 2012 wees, zijn afgedaan met toepassing van art. 81 RO. Eerder die week wees de strafkamer vier (inhoudelijk overeenstemmende) arresten die op onderdelen ook voor de civiele cassatieadvocatuur van belang kunnen zijn. De arresten schetsen de contouren van de invulling die door de strafkamer gegeven zal worden aan de art. 80a RO-criteria ‘klaarblijkelijk onvoldoende belang’ en ‘klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden’. De strafkamer geeft verder aan hoe hij zal omgaan met het overgangsrecht. De eerder gesignaleerde onduidelijkheid over de toepassing van (het overgangsrecht bij) art. 80a RO wordt daarmee (deels) opgeheven.

Invulling 80a-criteria

Art. 80a RO is de juridische grondslag voor selectie aan de poort van de Hoge Raad. De Hoge Raad kan zaken weren wanneer (1) de insteller van het beroep klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of wanneer (2) de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. In de hier besproken arresten geeft de strafkamer van de Hoge Raad met enkele voorbeelden aan hoe hij in de praktijk invulling zal geven aan deze niet-ontvankelijkheidsgronden.

Klaarblijkelijk onvoldoende belang

De voorbeelden die de strafkamer noemt bij de eerste grond zijn – niet verrassend – sterk strafrechtelijk georiënteerd (rov. 2.2.3) en hebben betrekkelijk weinig relevantie voor de civiele cassatiepraktijk. Genoemd wordt nog wel het – ook in het wetgevingstraject genoemde – voorbeeld waarin de cassatieklacht slechts erover klaagt dat met het cassatieberoep de redelijke termijn van art. 6 lid 1 EVRM wordt overschreden, maar ook voor dat leerstuk geldt dat dit in de strafrechtpraktijk een prominentere rol speelt dan in de civiele procespraktijk.

Klachten die klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden

Aardig is daarom vooral rov. 2.3.2, omdat de Hoge Raad daarin – in aanvulling op de voorbeelden die al in de memorie van toelichting werden gegeven – een lijst voorbeelden geeft van klachten die zullen stranden op art. 80a RO, omdat zij “evident kansloos” zijn.  De cassatieadvocaat in strafzaken moet de volgende typen klachten zien te vermijden:

– klachten die zijn gericht tegen andere handelingen of beslissingen dan de in art. 78 RO genoemde, en/of
– klachten die enkel vertogen van feitelijke aard behelzen, en/of
– klachten die steunen op feiten die in cassatie niet vaststaan en/of waarop in feitelijke aanleg geen beroep is gedaan, en/of
– klachten die berusten op een verkeerde lezing van de bestreden beslissing, en/of
– klachten die een tardief verweer behelzen, en/of
– klachten die betrekking hebben op bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg begane vormverzuimen waarop bij de behandeling van het appel geen beroep is gedaan, en/of
– klachten die eisen stellen die het recht niet kent, en/of
– klachten die zich keren tegen een overweging ten overvloede, en/of
– klachten die zijn gericht tegen een geenszins onbegrijpelijk oordeel van feitelijke aard, en/of
– klachten die opkomen tegen een geenszins onbegrijpelijke motivering betreffende de verwerping van een verweer, en/of
– klachten die zich keren tegen de motivering van een juist rechtsoordeel dan wel (het ontbreken van) de motivering van de verwerping van een verweer dat hoe dan ook niet kan slagen, en/of
– klachten die betrekking hebben op een onmiskenbare misslag of schrijffout in de bestreden uitspraak of het proces-verbaal van de terechtzitting, en/of
– klachten die opkomen tegen een geenszins onbegrijpelijk oordeel omtrent de betekening der dagvaarding en/of de ontvankelijkheid van het hoger beroep, en/of
– klachten die zich keren tegen een geenszins onbegrijpelijke motivering betreffende de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen en/of deskundigen, onderscheidenlijk een verzoek met betrekking tot een tegenonderzoek dan wel een verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak, en/of
– klachten die blijk geven van miskenning van de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter met betrekking tot de bewijsvoering en de straftoemeting, en/of
– klachten die blijk geven van miskenning van de vrijheid van de feitenrechter met betrekking tot de uitleg van verklaringen en processtukken.

De categorieën klachten die in deze opsomming worden genoemd, zijn nagenoeg allemaal (in potentie) ook relevant voor de civiele cassatiepraktijk. Al met al is het een betrekkelijk brede, algemene opsomming geworden, wat het gevaar in zich draagt dat veel klachten daaronder te brengen zijn. Juist die breedte van de opsomming maakt duidelijk dat daar waar de ‘cassatiewaardigheid’ van een beroep niet zo evident is, de insteller daarvan er goed aan doet om daaraan in het inleidende processtuk een passage te wijden. De aldus luidende suggestie van de Hoge Raad zelf (rov. 2.6.2) spreekt in dat verband boekdelen. Sleutelbegrip is en blijft dan wel het “evident kansloos” zijn van de klachten, maar de toekomst zal moeten uitwijzen wanneer die evidentie er voldoende dik bovenop ligt om een cassatieberoep al bij de poort te weigeren.

Verhouding art. 80a en art. 81 RO

De Hoge Raad merkt verder op dat als het cassatieberoep slechts klachten als in rov. 2.3.2 vermeld bevat, niet-ontvankelijkverklaring op de voet van art. 80a RO volgt (rov. 2.3.3). Omdat art. 80a RO niet voorziet in partiële niet-ontvankelijkverklaring, zal een cassatieberoep waarin (daarnaast) andere klachten worden geformuleerd die de selectie aan de poort wél kunnen doorstaan, geheel op de reguliere wijze worden afgedaan. In dat geval zullen de klachten die, bij gebreke van andere klachten, voor toepassing van art. 80a RO in aanmerking zouden komen, worden afgedaan op de voet van art. 81 RO (rov. 2.4.1 en 2.4.2).

Overgangsrecht

In hun conclusies van 3 juli jl. lieten de Advocaten-Generaal  Knigge, Machielse en Vellinga zich ook uit over het overgangsrecht. Zij kwamen niet tot een eensluidend antwoord, maar de recente arresten van de Hoge Raad (deels in andere zaken gewezen) geven uitsluitsel.

De strafkamer van de Hoge Raad zal art. 80a RO eerst toepassen in zaken waarin de cassatieschriftuur is ingekomen op of na 1 juli 2012 en dat hij daarnaast in zaken waarin de cassatieschriftuur voor 1 oktober 2012 is binnengekomen, terughoudendheid zal betrachten bij het niet-ontvankelijk verklaren op de voet van art. 80a RO. Hiermee, zo overweegt de Hoge Raad (rov. 2.8) krijgt de advocatuur en het OM voldoende tijd en gelegenheid om zich in te stellen op de uitleg en invulling die met dit arrest aan art. 80a RO is gegeven.

Uit de rolverslagen van de zittingen van de civiele kamer valt op te maken – en dat kan eigenlijk ook niet verbazen uit het oogpunt van rechtseenheid – dat ook daar de 80a-toets plaatsvindt in zaken waarvan de cassatiedagvaarding (of het –verzoekschrift) dateert van op of na 1 juli 2012. Uit het feit dat tot op heden slechts een enkele zaak is aangehouden voor een nadere 80a-toets (de Hoge Raad toetst in twee fasen, zie de rolreglementen voor dagvaardingszaken en verzoekschriftzaken)) en de overige zaken direct geselecteerd zijn voor voortprocederen, lijkt voorts te volgen dat de Hoge Raad ook in civiele zaken vooralsnog terughoudend is met toepassing van art. 80a RO.

Share This