HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:155

Het procesreglement bepaalt, in overeenstemming met art. 282 lid 1 jo. 362 Rv, dat iedere belanghebbende “tot de aanvang van de mondelinge behandeling” een verweerschrift kan indienen. Indien de rechter van oordeel is dat het verweerschrift te omvangrijk of niet eenvoudig te doorgronden is, kan hij maatregelen treffen om te waarborgen dat de wederpartij voldoende gelegenheid heeft om dat stuk te bestuderen. ’s Hofs beslissing om geen kennis te nemen van het verweerschrift getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.

Achtergrond

Verzoeker tot cassatie (hierna: X) is in 2014 toegelaten tot de schuldsanering. Verweerster in cassatie is een vennootschap naar Tsjechisch recht, genaamd Jude Trade S.R.O. (hierna: Jude Trade). Jude Trade heeft in 2015 verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen.

De rechtbank heeft het verzoek afgewezen. Tegen dit afwijzend vonnis is Jude Trade in hoger beroep gekomen. Op 6 juli 2015 vond de mondelinge behandeling plaats, waarbij Jude Trade werd vertegenwoordigd door haar bestuurder en een Tsjechische advocaat. De advocaat van X had enkele uren vóór deze zitting een verweerschrift ingediend. Het hof besloot echter, in het licht van het beginsel van hoor en wederhoor, van het verweerschrift geen kennis te nemen. De reden hiervoor was dat de vertegenwoordigers van Jude Trade geen Nederlands spraken en het verweerschrift van 9 pagina’s pas tijdens de mondelinge behandeling kregen uitgereikt. Daarmee hebben de vertegenwoordigers, volgens het hof, niet binnen de beschikbare tijd behoorlijk kennis kunnen nemen van het verweerschrift en zich niet deugdelijk kunnen voorbereiden. Daarbij was niet gebleken waarom X het verweerschrift niet eerder had kunnen indienen. Het hof zag geen aanleiding de behandeling aan te houden, te meer nu aanhouding bezwaarlijk zou zijn voor Jude Trade, omdat zij dan vanuit Tsjechië opnieuw naar Nederland zou moeten reizen.

Het heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de toepassing van de schuldsanering (tussentijds) beëindigd, zoals gezegd zonder acht te slaan op het verweerschrift van X.

Cassatie: staat hoor en wederhoor aan kennisneming verweerschrift in de weg?

In cassatie bestrijdt X – voor zover relevant – de beslissing van het hof om geen kennis te nemen van het verweerschrift. Daarbij baseert X zich op het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken (versie 1 juli 2015), waarin staat vermeld dat iedere belanghebbende tot de aanvang van de mondelinge behandeling een verweerschrift kan indienen.

A-G Timmerman concludeerde tot verwerping van deze klacht. Naar zijn mening brengt de fundamentele regel van hoor en wederhoor met zich mee dat de rechter (ook ambtshalve) erop dient te letten dat de wederpartij voldoende kennis heeft kunnen nemen van het processtuk, indien een partij het processtuk kort voor (of bij gelegenheid van) een zitting overlegt. Het procesreglement bevat op dat punt weliswaar aanwijzingen, maar ook indien deze aanwijzingen zijn opgevolgd, is denkbaar dat niet is voldaan aan het beginsel van hoor en wederhoor (conclusie, sub 2.3).

De Hoge Raad oordeelt de klacht evenwel gegrond (rov. 3.3):

“Het hof heeft, naar de klacht terecht aanvoert, miskend dat het Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven, zesde versie, juli 2015, onder 3.3.1 ten aanzien van de indiening van een verweerschrift in hoger beroep bepaalt, voor zover hier van belang, dat iedere belanghebbende tot de aanvang van de mondelinge behandeling een verweerschrift kan indienen. Deze bepaling stemt overeen met art. 282 lid 1 Rv, dat ingevolge art. 362 Rv ook van toepassing is op de verzoekschriftprocedure in hoger beroep. Indien de rechter van oordeel is dat het verweerschrift te omvangrijk of niet eenvoudig te doorgronden is, kan hij maatregelen treffen om te waarborgen dat de wederpartij voldoende gelegenheid heeft om dat stuk te bestuderen.

De beslissing van het hof om geen kennis te nemen van het verweerschrift getuigt dan ook van een onjuiste rechtsopvatting. De klacht is dus gegrond.”

’s Hofs beslissing om geen kennis te nemen van het verweerschrift – omdat de (Tsjechische) wederpartij er binnen de beschikbare tijd niet behoorlijk kennis van kon nemen – is dus rechtens onjuist.

Share This