Selecteer een pagina

HR 20 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:719

In deze zaak over broei in houtpellets geeft de Hoge Raad antwoord op twee voor de praktijk relevante vragen. Is de omstandigheid dat de moedervennootschap een geconsolideerde jaarrekening heeft gepubliceerd voldoende om de dochtervennootschap een beroep op de vernietigingsgronden van de algemene-voorwaardenregeling te ontzeggen? Is de bewaargever in beginsel risicoaansprakelijk voor de door de bewaarnemer geleden schade, ook als de bewaargever een verwijt kan worden gemaakt? 

Achtergrond van de zaak

Op 7 maart 2004 is brand uitgebroken in een silo van EBS, waarin op dat moment drie partijen houtpellets (in de vorm van biomassa) waren opgeslagen. Deze pellets waren aan EBS in bewaring gegeven door Peterson ABL. Ten tijde van de brand waren de pellets eigendom van en bestemd voor Essent. Oorzaak van de brand was broei in de houtpellets. Door de brand is grote schade ontstaan, zowel aan de houtpellets van Essent als aan de silo van EBS.

In deze procedure vorderen partijen – kort gezegd – over en weer vergoeding van hun schade en kosten. Van belang voor deze bespreking is dat EBS haar schade aan de silo met een beroep op art. 7:601 lid 3 BW heeft willen verhalen op bewaargever Peterson ABL. EBS heeft ook een beroep gedaan op de in haar algemene voorwaarden opgenomen vrijwaringsbepaling. Peterson ABL heeft zich op de vernietiging van deze algemene voorwaarden beroepen. Volgens EBS kan Peterson ABL op grond van art. 6:235 lid 1 sub a BW echter geen beroep doen op de vernietigingsgronden van art. 6:233-234 BW.

Hierna worden uitsluitend de oordelen van de Hoge Raad over deze twee kwesties besproken.

De uitsluiting van ‘grote’ wederpartijen

Art. 6:235 lid 1 BW sluit bepaalde ‘grote’ wederpartijen uit van een beroep op art. 6:233-234 BW. Voor deze zaak van belang is art. 6:235 lid 1 sub a BW, dat bepaalt dat op deze vernietigingsgronden geen beroep kan worden gedaan door een rechtspersoon als bedoeld in art. 2:360 BW, die (i) ten tijde van de contractsluiting laatstelijk zijn jaarrekening openbaar heeft gemaakt, of (ii) ten aanzien waarvan op dat tijdstip laatstelijk art. 2:403 lid 1 BW is toegepast.

Met de achter (ii) vermelde grond is bedoeld die wederpartijen uit te sluiten die ten tijde van de contractsluiting in aanmerking komen voor een zogeheten groeps- of concernvrijstelling. Een rechtspersoon komt in aanmerking voor een dergelijke vrijstelling als aan de voorwaarden van art. 2:403 lid 1 BW is voldaan. In deze zaak rijst de vraag of voor een geslaagd beroep op art. 6:235 lid 1 sub a, laatste gedeelte, BW evengoed aan al deze voorwaarden van art. 2:403 lid 1 BW moet zijn voldaan.

Naar aanleiding van een daarop gerichte rechtsklacht beantwoordt de Hoge Raad deze vraag ontkennend:

“3.1.3  Uit de hiervoor in 3.1.2 weergegeven wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever de vernietigingsmogelijkheid van art. 6:233 BW in verbinding met art. 6:234 BW heeft willen uitsluiten voor de wederpartij die feitelijk een jaarrekening publiceert, hetzij zelfstandig, hetzij met toepassing van art. 2:403 lid 1 BW in groepsverband. In het licht van de in de toelichting geuite wens bewijsproblemen te voorkomen door het hanteren van een criterium waarvan eenvoudig is te controleren of eraan is voldaan, moet de bepaling aldus worden uitgelegd, dat het voor uitsluiting van de vernietigingsmogelijkheid voldoende is dat de jaarrekening – in voorkomend geval in de vorm van een geconsolideerde jaarrekening op de voet van art. 2:403 lid 1 BW – daadwerkelijk is openbaar gemaakt. Anders dan het onderdeel verdedigt, is dus niet vereist dat aan alle vereisten van art. 2:403 lid 1 BW is voldaan. De hierop gerichte klachten falen.”

Het hof mocht dus voldoende achten dat de financiële gegevens van Peterson ABL laatstelijk zijn gepubliceerd in de geconsolideerde jaarrekening van haar moedervennootschap.

De aansprakelijkheid van de bewaargever

Op grond van art. 7:601 lid 3 BW moet de bewaargever (in dit geval Peterson ABL) de schade vergoeden die de bewaarnemer (in dit geval EBS) als gevolg van de bewaarneming heeft geleden. Met deze bepaling heeft de wetgever een contractuele risicoaansprakelijkheid in het leven geroepen: de bewaargever staat tegenover de bewaarnemer in voor eigenschappen die gewoonlijk aan de zaak zijn verbonden en die de bewaargever kende noch behoorde te kennen. Het is irrelevant of aan de ontstane schade wel of niet een tekortkoming of onrechtmatige daad van de bewaargever ten grondslag ligt. Anders dan bij andere risicoaansprakelijkheden wel het geval is, kan de bewaargever zich dus niet tegen zijn aansprakelijkheid verweren met het betoog dat hem geen verwijt treft.

Dat irrelevant is of aan de zijde van de bewaargever sprake is van schuld, betekent echter niet noodzakelijkerwijs dat het gedrag van de bewaarnemer irrelevant is. Wat als de bewaarnemer niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht van art. 7:602 BW of aan zijn verplichting tot teruggave van de zaak op grond van art. 7:605 BW? Is de bewaarnemer dan ook aansprakelijk voor de schade van de bewaargever? Na een korte uiteenzetting van de strekking van art. 7:601 lid 3 BW beantwoordt de Hoge Raad deze vraag bevestigend:

“3.2.2  (…) Voor aansprakelijkheid van de bewaargever is dus voldoende dat causaal verband bestaat tussen de schade en de aanwezigheid van de bewaarde zaak. De tekst, de toelichting en de strekking van de bepaling bieden geen aanknopingspunt voor de opvatting van het onderdeel dat geen verplichting tot schadevergoeding op grond van art. 7:601 lid 3 BW bestaat indien de bewaarnemer niet voldoet aan zijn zorgplicht van art. 7:602 BW of aan zijn verplichting tot teruggave van de zaak op grond van art. 7:605 BW. Wel kan, indien de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de bewaarnemer kan worden toegerekend, de verplichting tot schadevergoeding op grond van art. 6:101 BW worden verminderd of vervallen, zoals het hof ook heeft onderkend. Het onderdeel faalt dus omdat het uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting.”

Het hof heeft dus terecht geoordeeld dat de bewaargever jegens de bewaarnemer in beginsel aansprakelijk is, ook als de bewaarnemer zelf een verwijt kan worden gemaakt.

Afdoening

De Hoge Raad herstelt zelf een door het hof gemaakte rekenfout en verwerpt het principale cassatieberoep voor het overige. Ook het incidentele cassatieberoep wordt verworpen. Die uitkomst wijkt af van de conclusie van A-G Valk. Hij vond het oordeel van het hof met betrekking tot de eigen schuld niet begrijpelijk en concludeerde tot vernietiging en verwijzing. De Hoge Raad vindt echter dat het hof zijn gedachtegang voldoende inzichtelijk heeft gemaakt (rov. 3.5.3).

Peterson ABL en Essent zijn in cassatie bijgestaan door Gijsbrecht Nieuwland en Ruben de Graaff, en aanvankelijk ook door Karlijn Teuben. In vorige instanties is Essent bijgestaan door Robert de Haan, en is Peterson ABL bijgestaan door Michiel van Leeuwen.

Share This