HR 22 december 2017 ECLI:NL:HR:2017:3266

Partneralimentatie. Grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep. Huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget tellen niet mee bij de bepaling van de behoefte van de alimentatiegerechtigde.

De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat het geschil tussen partijen, zoals zich dat in eerste aanleg heeft ontwikkeld, in beginsel in volle omvang aan de appelrechter wordt voorgelegd. In beginsel, omdat het in hoger beroep geldende grievenstelsel tot gevolg heeft dat de omvang van de rechtsstrijd in appel wordt beperkt tot het gebied dat wordt ontsloten door de grieven die appellant heeft aangevoerd, dan wel – in het geval van incidenteel hoger beroep – door de grieven die over en weer door partijen zijn aangevoerd.

De onderhavige zaak betreft een klassiek geval waarin de appelrechter buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en daarmee het grievenstelsel heeft miskend.

Eerste aanleg

In eerste aanleg had de rechtbank bij beschikking van 9 maart 2016 de partneralimentatie ten behoeve van de vrouw vastgesteld op een bedrag van    € 848,- per maand met ingang van datum inschrijving echtscheidingsbeschikking. In appel verzoekt de man de partneralimentatie vast te stellen op een bedrag van € 150,- per maand vanaf datum ontbinding huwelijk gedurende de periode van één jaar. De vrouw stelt incidenteel beroep in ten aanzien van de door de rechtbank bepaalde behoefte, maar sluit zich voor het overige aan bij de beslissing van de rechtbank. Dit betekent dat de grenzen van de rechtsstrijd in appel in deze zaak aldus waren getrokken dat de rechter een beslissing diende te geven die zich begaf binnen de marges van een partneralimentatie van € 150,- per maand voor de periode van één jaar enerzijds en een partneralimentatie van € 848,- per maand voor onbepaalde tijd anderzijds.

in appel

In appel stelde het hof niettemin de partneralimentatie met ingang van 16 juni 2016 op nihil. De, op het leerstuk van het grievenstelsel gebaseerde cassatieklachten van de vrouw treffen dan ook doel.

Het hof had bij de bepaling van de behoefte van de vrouw voorts de door haar ontvangen huur- en zorgtoeslag als inkomen aangemerkt en hetzelfde beslist ten aanzien van de door de vrouw ten behoeve van haar kinderen uit een eerdere relatie ontvangen kindgebonden budget. Ook tegen die beslissingen komt de vrouw in cassatie met succes op.

Het in aanmerking nemen van huur- en zorgtoeslag als inkomen van de alimentatiegerechtigde is, naar de Hoge Raad ten aanzien van huurtoeslag reeds in 1995 heeft beslist en in 2017 heeft bevestigd, een onjuiste rekenwijze, omdat het hier gaat om overheidsbijdragen met een aanvullend karakter. Het meetellen van dergelijke bijdragen bij de behoefte aan alimentatie doorkruist de bedoelingen die de wetgever met de verstrekking van dergelijke bijdragen van aanvullende aard heeft gehad. Zie: HR 27 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1632, NJ 1995/291 en HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1273, NJ 2017/303, zie CB 2017 – 137.

In laatstgenoemde uitspraak heeft de Hoge Raad dit ook expliciet beslist met betrekking tot het in 2015 ingevoerde kindgebonden budget. Met die uitspraak had het hof echter, gezien de datum van zijn beschikking, nog geen rekening kunnen houden.

Share This