Selecteer een pagina

HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1037 (A/Gemeente De Ronde Venen)

Eiser heeft een eerdere procedure tegen de gemeente aanhangig gemaakt op naam van een niet-bestaande BV.  Nadat de BV in de procedure duidelijk heeft gemaakt dat sprake was van een vergissing en dat bedoeld was een andere partij als eiser te laten optreden, heeft de gemeente bezwaar gemaakt tegen rectificatie van de partijaanduiding. Onder deze omstandigheden biedt art. 4 lid 1 Hnw in verbinding met art. 6:162 BW geen grondslag voor de reconventionele vordering van de Gemeente in de onderhavige procedure tot vergoeding van de proceskosten van de eerste procedure.

Feiten

Op naam van de vennootschap “A BV” is een procedure gestart tegen de gemeente. In die procedure heeft de gemeente verzocht om de BV niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze vennootschap niet bestond. Daarop heeft in de procedure de BV ‘rectificatie’ gevraagd. (NB: het gaat hierbij overigens niet om rectificatie van een vonnis als bedoeld in art. 31 Rv, maar om een – informele – wijze van herstel van een partijaanduiding die anders zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid; zie voor een voorbeeld HR 4 december 1998, NJ 1999, 269; Van der Lugt/Zegers)). De BV heeft aangevoerd dat zij in de inleidende dagvaarding abusievelijk als partij is genoemd en dat haar werkelijke naam (in de door de HR aangebrachte anonimisering) luidt: “eiser, tevens handelende onder de naam A”.

De gemeente heeft bezwaar gemaakt tegen dit verzoek om rectificatie, en de rechtbank heeft dat bezwaar gehonoreerd. In haar vonnis heeft de rechtbank A (overigens zonder de toevoeging “BV”) niet-ontvankelijk verklaard, met veroordeling van de BV in de proceskosten ad € 11.365. De gemeente heeft vervolgens om (echte) rectificatie van dit vonnis (op de voet van art. 31 Rv) verzocht, in die zin dat de partijaanduiding “A” zou moeten worden gewijzigd in “eiser”. De rechtbank heeft dit verzoek om rectificatie afgewezen met onder meer de overweging dat in het vonnis bedoeld is om in het dictum “A BV” te vermelden en dat eiser in de procedure geen partij was.

Eiser was inmiddels ook een nieuwe procedure tegen de gemeente begonnen, ditmaal op naam van “eiser, tevens handelende onder de naam A BV i.o.”. In conventie vorderde eiser daarin veroordeling van de gemeente tot betaling van € 442.567 in verband met de tussentijdse opzegging van een overeenkomst door de gemeente. In reconventie vorderde de gemeente onder meer veroordeling van eiser tot betaling van de proceskosten (het eerder genoemde bedrag van € 11.365) uit de eerste procedure. De achtergrond hiervan is dat de kostenveroordeling in de eerste procedure zich richtte tegen A BV. Nu deze BV echter niet bestond, kon de proceskostenveroordeling niet op de vennootschap verhaald worden. De gemeente heeft aan haar reconventionele vordering ten grondslag gelegd dat eiser op grond van art. 245 Rv gehouden zou zijn om de proceskostenveroordeling te voldoen. Daarnaast heeft de gemeente zich beroepen op art. 4 Handelsnaamwet (Hnw) (waarin onder meer wordt verboden een handelsnaam te voeren die, in strijd met de waarheid, aanduidt dat de onderneming zou worden gedreven door een BV) en op art. 6:162 BW.

Onrechtmatig handelen door procederen op naam niet-bestaande BV?

In cassatie gaat het uitsluitend om deze reconventionele vordering van de gemeente in de tweede procedure. Anders dan de rechtbank wees het hof die vordering namelijk toe. Daarbij overwoog het hof dat eiser, door op naam van een niet bestaande vennootschap een procedure tegen de gemeente te starten, had gehandeld in strijd met art. 4 lid 1 Hnw en derhalve onrechtmatig, en dat de gemeente hierdoor schade had geleden bestaande uit de proceskostenveroordeling van € 11.365 die zij niet op de BV heeft kunnen verhalen.

De Hoge Raad oordeelt anders. Volgens de Hoge Raad kan in dit geval niet worden geoordeeld dat eiser onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gemeente door de eerste procedure aanhangig te maken op naam van de BV. De Hoge Raad wijst er daarbij op (i) dat de gemeente een niet-ontvankelijkheidsverweer heeft gevoerd tegen de BV, (ii) dat de BV toen duidelijk heeft gemaakt dat sprake was van een vergissing en dat bedoeld was een andere partij als eiser te laten optreden, en (iii) dat de gemeente vervolgens bezwaar heeft gemaakt tegen het verzoek om rectificatie van deze vergissing. Onder die omstandigheden – aldus nog steeds de Hoge Raad – biedt art. 4 lid 1 Hnw jo. art. 6:162 BW geen grondslag voor een vordering van de gemeente tot vergoeding van de proceskosten uit de eerste procedure.

Deze overweging lijkt overigens open te laten dat het procederen op naam van een niet-bestaande partij onder omstandigheden wél in strijd met art. 4 lid 1 Hnw kan zijn en (dus) een onrechtmatige daad kan opleveren, die tot vergoeding van de daardoor geleden schade verplicht. A-G Wesseling-van Gent lijkt in haar conclusie (onder 2.17 e.v.) voorzichtiger: zij wijst onder meer op het relativiteitsvereiste, en concludeert dat art. 4 lid 1 Hnw niet kan strekken tot bescherming van een partij in een civiele procedure tegen een uitgesproken proceskostenveroordeling op naam van een niet bestaande onderneming, waarvan reeds duidelijk dan wel opgehelderd is dat deze zich ten onrechte als een besloten vennootschap heeft gepresenteerd.

Art. 245 Rv

De Hoge Raad doet de zaak zelf af door ook de resterende grondslag te beoordelen van de reconventionele vordering van de gemeente, namelijk art. 245 Rv. Volgens deze bepaling kan de rechter, als blijkt dat een partij die in rechte is opgetreden niet bestaat, de proceskostenveroordeling ook uitspreken ten laste van de advocaat of gemachtigde van die partij (een ‘eigen beursje’ dus) of ten laste van degene die tot het voeren van de procedure opdracht heeft gegeven. In deze zaak kan ook art. 245 Rv de gemeente geen soelaas bieden. De Hoge Raad overweegt dat de gemeente pas ná het vonnis in de eerste procedure – namelijk in haar verzoek tot rectificatie van dat vonnis – een beroep heeft gedaan op art. 245 Rv, en heeft nagelaten hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank in te stellen en daarin een beroep op art. 245 Rv te doen. In dezelfde zin oordeelt ook de A-G, die er ook op wijst dat art. 245 Rv hoe dan ook niet als zelfstandige vordering in een afzonderlijke procedure geldend kan worden gemaakt.

Share This