HR 1 februari 2019 ECLI:NL:HR:2019:137

Appelprocesrecht. Onbegrijpelijke uitleg van de grieven die onder meer leidt tot de conclusie dat de appelrechter buiten de grenzen van de rechtsstrijd in appel is getreden.

De onderhavige zaak betreft een procedure tussen erven. In de nalatenschap valt een woning, die sinds 1966 wordt bewoond door één der erven. Is deze erfgenaam een vergoeding verschuldigd voor het gebruik (huur) van deze woning?

In eerste aanleg werd deze vraag door de rechtbank bevestigend beantwoord. In appel komt het hof tot een tegenovergesteld oordeel, daarbij toepassing gevend aan de op de rechtsverhouding tussen de erven toepasselijke redelijkheid en billijkheid.

Dit oordeel wordt in cassatie met succes bestreden. Volgens de Hoge Raad kan de grief, waarmee verweerder in cassatie – de betalingsplichtige erfgenaam – opkwam tegen voornoemd oordeel van de rechtbank, niet aldus worden gelezen dat daarin werd betoogd dat de andere erven in het geheel géén aanspraak kunnen maken op enig bedrag aan huur. De desbetreffende grief is door de andere erven, blijkens hun memorie van antwoord ook niet aldus opgevat. De appelrechter is met zijn oordeel derhalve buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.

Eveneens wordt in cassatie met succes aangevoerd dat het hof in de processtukken van eisers tot cassatie géén grief had gelezen tegen de door de rechtbank in aanmerking genomen periode waarover huur was verschuldigd (vanaf 1985). Het enkele feit dat eisers tot cassatie het daartoe strekkende betoog hadden opgenomen onder een kopje met de titel ‘Vermeerdering van eis’, terwijl van een vermeerdering van eis, gelet op het reeds in eerste aanleg gevorderde, geen sprake was doet daaraan volgens de Hoge Raad niet af.

Volgt vernietiging en verwijzing.

Share This