Selecteer een pagina

HR 31 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:220

Voor wijziging van alimentatie op de voet van art. 1:401 lid 1 BW moet sprake zijn van een relevante wijziging van omstandigheden ten opzichte van de door de alimentatierechter vastgestelde omstandigheden. Nu de alimentatierechter bij de vaststelling van de oorspronkelijke alimentatie (slechts) heeft aangenomen dat de man voldoende draagkracht had zonder uit te gaan van een concreet inkomstenbedrag, sluit de nu door het hof vastgestelde inkomenstoename niet uit dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW.

Wijziging van alimentatie wegens wijziging van omstandigheden

Een door de rechter vastgestelde alimentatie kan op grond van art. 1:401 lid 1 BW worden gewijzigd. Voorwaarde daarvoor is dat de oorspronkelijk vastgestelde alimentatie na die vaststelling door een wijziging van omstandigheden niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

Ter bepaling of zich een wijziging van omstandigheden voordoet die een wijziging in de alimentatie rechtvaardigt moet enerzijds sprake zijn van een relevante wijziging van omstandigheden in die zin dat vanwege de gestelde wijziging de oorspronkelijke alimentatie zich niet meer goed verhoudt tot de actuele behoefte van de alimentatiegerechtigde, dan wel tot de actuele draagkracht van de alimentatieplichtige (vgl. art. 1:397 BW). Anderzijds moet sprake zijn van een wijziging ten opzichte van de omstandigheden zoals die door de rechter ten tijde van diens beslissing zijn vastgesteld (resp. van de omstandigheden waarbij partijen bij het sluiten van de overeenkomst zijn uitgegaan). Het gaat dus niet om de omstandigheden die destijds door een van de partijen zijn aangevoerd, maar slechts om die omstandigheden die de rechter daadwerkelijk aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd.

Procedure bij het hof

In deze procedure heeft de man wijziging verzocht van de alimentatie die bij uitspraak van 21 april 2010 was vastgesteld. In die eerste procedure had de man jaarstukken en opgaven overgelegd over de jaren 2004/2008 en een concept-jaarrekening over 2009. De man stelt dat nu dat de oorspronkelijke alimentatie niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet, omdat zijn werkelijke draagkracht niet meer aansluit bij de in die beschikking vastgestelde draagkracht.

Ter onderbouwing van zijn verzoek om wijziging heeft de man jaarrekeningen en belastingaanslagen over de jaren 2009, 2010 en 2011 overgelegd. Op basis van deze gegevens concludeerde het hof dat zich wel een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan, maar dat dit geen relevante wijziging betrof. Het bedrijfsresultaat in 2009 was weliswaar gedaald, maar de omzet en het bedrijfsresultaat in 2010 en 2011 waren beduidend hoger. Met deze inkomenstoename verhoudt zich niet, zo redeneerde het hof, dat de man nu vermindering van de alimentatie vraagt.

Procedure in cassatie

Dit klinkt plausibel, maar toch vernietigt de Hoge Raad de beschikking van het hof. Deze vernietiging vindt grond in de wijze waarop de draagkracht van de man bij de vaststelling van de oorspronkelijke alimentatie was verdisconteerd. De draagkracht was namelijk niet gebaseerd op een concreet vastgesteld inkomen van de man, maar – bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing – slechts op de aanname dat de man in staat was om de door de rechtbank vastgestelde alimentatie te bepalen. De destijds door de man overgelegde jaarstukken en belastingaangiften gaven volgens het hof onvoldoende inzicht in zijn draagkracht. Het hof overwoog daarom als volgt.

“7 (…) Nu de man niet het tegendeel heeft aangetoond moet het ervoor gehouden worden dat hij in staat is de door de rechtbank vastgestelde uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw te betalen.”

Voor het onderhavige wijzigingsverzoek betekent dit dat de door het hof in de wijzigingsprocedure geconstateerde inkomenstoename nog niet uitsluit dat zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan ten opzchte van de omstandigheden waarop de beschikking uit 2010 was gebaseerd “te weten de niet op financiële stukken gebaseerde aanname dat de man in ieder geval over voldoende inkomen beschikt om de door de rechtbank ‘s-Gravenhage vastgestelde alimentatie te betalen” (rov. 3.5.3).

A-G Keus, die eveneens tot vernietiging concludeerde, verwoordde het als volgt.

“2.5 (…) In de beschikking waarvan wijziging wordt verzocht, heeft het hof ’s-Gravenhage immers, met voorbijgaan aan hetgeen zich uit laatstgenoemde jaarrekeningen laat afleiden, kennelijk een ander (hoger) inkomen verondersteld. Voor een relevante wijziging van omstandigheden in de zin van art. 1:401 lid 1 BW komt het bij die stand van zaken slechts aan op de vraag of thans sprake is van een lager inkomen dan het inkomen waarvan het hof ’s-Gravenhage is uitgegaan, te weten een inkomen dat, mede gelet op de door de man verschuldigde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter], in elk geval voldoende draagkracht oplevert voor een alimentatie die de behoefte van de vrouw volledig dekt.” [accentuering conform conclusie A-G Keus].

Share This