Selecteer een pagina

HR 17 mei 2013, LJN BZ3641

Het strookt met de in art. 1:200 BW voorziene beperking van de kring van personen die geacht kunnen worden rechtstreeks bij de ontkenning van het vaderschap te zijn betrokken, om de buiten deze kring vallende personen niet aan te merken als belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 1 Rv in verbinding met art. 1:200 BW.

Feiten

Verzoekster tot cassatie, een volwassen vrouw, heeft de rechtbank verzocht over te gaan tot gegrondverklaring van haar ontkenning van het vaderschap van haar (inmiddels overleden) wettige vader op grond van art. 1:200 lid 1, aanhef en onder b, BW. Uit het huwelijk van de moeder met de wettige vader van verzoekster zijn nog vier kinderen geboren, waaronder verweerster.

Het oordeel van de rechtbank

Verweerster heeft verweer gevoerd tegen het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verzoekster in dit verzoek niet-ontvankelijk is, omdat het niet is ingediend binnen de termijn van art. 1:200 lid 6 BW. De rechtbank heeft het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap toegewezen en is daarbij uitdrukkelijk voorbij gegaan aan het ontvankelijkheidsverweer van verweerster. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerster geen belanghebbende in de procedure tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap en kan zij hierin dus geen verweer voeren.

Het oordeel van het hof

Verweerster heeft tegen deze beschikking van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Het hof heeft verweerster ontvankelijk geacht in haar hoger beroep. Naar het oordeel van het hof dient verweerster wél te worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 798 Rv in de procedure tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap. Het hof overweegt daartoe dat tussen verweerster en verzoekster een nauwe familierechtelijke betrekking bestaat. Zij zijn zussen en zijn, samen met hun broers en inmiddels overleden zus, opgegroeid in hetzelfde gezin, waarin de man – waarvan verzoekster het vaderschap ontkent – hun (juridische) vader was. De nalatenschap van de man is ruim twintig jaar geleden verdeeld tussen de kinderen. Toewijzing van het verzoek van verzoekster zou, gelet op art. 1:202 lid 3 BW, ertoe kunnen leiden dat de verdeling van de nalatenschap geheel of gedeeltelijk opnieuw moet plaatsvinden. Naar het oordeel van het hof raakt het verzoek aldus rechtstreeks de rechten en verplichtingen van verweerster.

Het hof concludeert dus dat verweerster wel belanghebbende is in de zin van art. 798 Rv en daarom in haar hoger beroep kan worden ontvangen. In cassatie klaagt verzoekster dat het hof heeft miskend dat ‘belanghebbende’ slechts diegene is op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Volgens verzoekster is daarvoor niet voldoende dat de gevolgen van de verzochte beslissing (in dit geval de ontkenning van het vaderschap) zich ook tot verweerster uitstrekken.

Het oordeel van de Hoge Raad

In rov. 3.4.2 overweegt de Hoge Raad allereerst dat in art. 358 lid 1 en lid 2 Rv de algemene regel is neergelegd dat tegen beschikkingen van de rechtbank in verzoekschriftprocedures hoger beroep kan worden ingesteld door de verzoeker, door de in de procedure verschenen belanghebbenden en door andere belanghebbenden. Art. 798 lid 1 Rv bepaalt evenwel dat voor de toepassing van afdeling 1 van titel 6 van Boek 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – dat wil zeggen: in het kader van de rechtspleging in andere zaken betreffende het personen- en familierecht dan scheidingszaken – onder belanghebbende wordt verstaan ‘degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft’. Ten slotte overweegt de Hoge Raad dat uit art. 806 lid 1 Rv volgt dat – in afwijking van het bepaalde in art. 358 lid 2 Rv – van een beschikking in een andere zaak betreffende het personen- en familierecht dan een scheidingszaak, hoger beroep slechts kan worden ingesteld door de verzoeker en door een belanghebbende als bedoeld in art. 798 Rv.

De vraag is of verweerster in deze zaak kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 798 Rv. In rov. 3.4.3 overweegt de Hoge Raad dat ingevolge art. 1:200 lid 1, aanhef en onder a en b, BW het vaderschap uitsluitend kan worden ontkend door de vader of de moeder van het betrokken kind, respectievelijk het kind zelf. Het verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap kan ingevolge art. 1:200 lid 5 en lid 6 BW eveneens uitsluitend worden ingediend door de vader of de moeder van het betrokken kind, respectievelijk het kind zelf. Behoudens in de gevallen voorzien in art. 1:201 lid 1 en lid 2 BW, kan een dergelijk verzoek niet worden ingediend door een persoon wiens eigen afstammingsrelatie niet rechtstreeks door (toe- of afwijzing van) het verzoek wordt geraakt, ook al heeft deze persoon een afgeleid belang bij het voortbestaan of het verbreken van de afstammingsrelatie tussen de vader en het betrokken kind, zoals het geval kan zijn bij een broer of een zuster van het betrokken kind of bij diens vermeende biologische vader (zie voor het laatste geval HR 9 december 2005, LJN AU3262).

De Hoge Raad overweegt vervolgens in rov. 3.4.3:

“Het strookt met deze in art. 1:200 BW voorziene beperking van de kring van personen die geacht kunnen worden rechtstreeks bij de ontkenning van het vaderschap te zijn betrokken, om de buiten deze kring vallende personen niet aan te merken als belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 1 Rv in verbinding met art. 1:200 BW.”

De Hoge Raad merkt hierbij nog op dat het Procesreglement overige (Boek 1)zaken (Regeling van 15 maart 2005, Stcrt. 2005, 52, zoals laatstelijk gewijzigd op 1 april 2013, Stcrt. 2013, 7448) met de wettelijke regeling in overeenstemming is (vgl. rov. 3.4.4).

De door het hof genoemde omstandigheid dat tussen verweerster en verzoekster een nauwe familierechtelijke band bestaat, doet volgens de Hoge Raad  niet af aan het vorenstaande. Aan het vorenstaande doet evenmin af dat toewijzing van het verzoek van verzoekster, gelet op art. 1:202 lid 3 BW, ertoe zou kunnen leiden dat de verdeling van de nalatenschap van de man geheel of gedeeltelijk opnieuw moet plaatsvinden (vgl. rov. 2.4.5)

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en verklaart – conform sub 2.19 van de conclusie van A-G Langemeijer – verweerster alsnog niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde hoger beroep.

Share This