HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3013 (Meegaa/Verweerder)

De vraag of in het kader van een mondeling gesloten overeenkomst een verwijzing op een afleverbon naar een exoneratie of algemene voorwaarden leidt tot toepasselijkheid daarvan, moet worden beantwoord aan de hand van de wilsvertrouwensleer (art. 3:33/3:35 BW).

De inhoud van een overeenkomst kan na het aangaan daarvan logischerwijze niet zomaar eenzijdig worden gewijzigd. Nagekomen verwijzingen naar exoneraties of algemene voorwaarden leiden daarom in beginsel niet tot toepasselijkheid daarvan, tenzij de afnemer het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt daarmee akkoord te gaan (vgl. art. 3:35 BW). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn in langlopende zakenrelaties, indien de afnemer nooit heeft geprotesteerd tegen de vermelding van algemene voorwaarden op facturen (zie bijvoorbeeld HR 5 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0623, NJ 1992/565 (Lloyd/AEG) en HR 1 juli 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1033, NJ 1993/688 (Bouwma/Cavo)). Deze uitzondering die de regel bevestigt is vaste rechtspraak, maar wordt toch nog wel eens uit het oog verloren, zoals deze zaak illustreert.

Eiseres tot cassatie Meegaa heeft regelmatig potgrondproducten geleverd aan verweerder, die een cactuskwekerij exploiteerde. De bestelling geschiedde telefonisch. In veel gevallen werd door verweerder een afleverbon “voor ontvangst” getekend. Daarop stond een exoneratieclausule en een verwijzing naar de Algemene Voorwaarden van Potgrondfabrikanten (met daarin dezelfde exoneratieclausule). In dit geding heeft verweerder Meegaa aansprakelijk gesteld wegens non-conformiteit van de geleverde potgrond. Meegaa verweert zich met een beroep op de exoneratieclausule.

Het hof verwierp dit verweer. Volgens het hof kon “de enkele omstandigheid dat op de afleveringsbonnen van MeeGaa van meet af aan een exoneratieclausule is opgenomen, niet (…) leiden tot het oordeel dat tussen partijen een exoneratie is overeengekomen”. Het hof onderbouwde dit oordeel met de overweging dat (a) de handtekening op de afleverbonnen slechts “voor ontvangst” was geplaatst en (b) niet gesteld of gebleken was dat partijen voorafgaande aan de eerste levering over een exoneratie hebben gesproken. Op dezelfde gronden verwierp het hof ook het beroep van Meegaa op toepasselijkheid van (de exoneratie in) de algemene voorwaarden.

Het hof beperkte zich dus tot bovengenoemde hoofdregel (nagekomen verwijzingen leiden niet tot toepasselijkheid), zonder te onderzoeken of er plaats was voor een uitzondering (tenzij de wilsvertrouwensleer anders meebrengt). Hierover klaagt het middel van Meegaa met succes.

In rov. 3.3.2 zet de Hoge Raad de relevante omstandigheden van dit geval uiteen. Deze – in cassatie deels hypothetisch vaststaande (dus door Meegaa gestelde, na verwijzing nog nader te onderzoeken) – omstandigheden luiden als volgt.

(i) Verweerder heeft van 2006 tot 2009 regelmatig potgrondproducten afgenomen van (de rechtsvoorganger van) Meegaa.

(ii) Daarbij heeft verweerder facturen en afleverbonnen ontvangen met daarop een verwijzing naar algemene voorwaarden, waarin dezelfde exoneratie is opgenomen.

(iii) Verweerder is een professionele partij die ermee bekend is dat potgrondfabrikanten deze voorwaarden hanteren.

(iv) Een dergelijke aansprakelijkheidsbeperking (tot de hoogte van het factuurbedrag) is bij de levering van potgrond gebruikelijk.

(v) De afleverbon was na iedere (telefonische) bestelling het eerste tussen partijen uitgewisselde document.

(vi) Uit de ondertekening van de afleverbonnen volgt dat verweerder deze heeft gezien en van de daarop weergegeven tekst kennis heeft kunnen nemen.

(vii) Verweerder heeft nimmer tegen de op de afleverbonnen vermelde aansprakelijkheidsbeperking geprotesteerd.

In het licht van deze omstandigheden is ’s hofs oordeel onjuist dan wel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd. Indien het hof van oordeel was (zoals gelet op zijn overwegingen onder (a) en (b) het geval lijkt) dat in een geval als het onderhavige uitdrukkelijke aanvaarding van de exoneratieclausule of het uitdrukkelijk bespreken daarvan voorafgaande aan de eerste levering is vereist, getuigt ’s hofs oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Bij de beantwoording van de vraag of partijen een aansprakelijkheidsbeperking zijn overeengekomen, is immers de wilsvertrouwensleer beslissend, zo memoreert de Hoge Raad onder verwijzing naar bovengenoemde rechtspraak. Indien het hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel niet begrijpelijk, nu het bij de toepassing van de wilsvertrouwensleer aankomt op “alle omstandigheden van het geval” en het hof de in rov. 3.3.2 genoemde omstandigheden, die volgens de Hoge Raad “relevant kunnen zijn” bij de beantwoording van voormelde vraag, niet kenbaar in zijn oordeel heeft betrokken (rov. 3.3.3). In het verlengde hiervan houdt ook ’s hofs oordeel omtrent de (niet-)toepasselijkheid van de algemene voorwaarden geen stand (rov. 3.4.2).

A-G Van Peursem concludeerde in gelijke zin. Hij vond de motivering van ’s hofs oordeel met name tekortschieten omdat daaruit niet bleek “waarom uit bestendige vermelding van de exoneratie op afleverbonnen van een groot aantal eerdere leveranties van potgrond, waartegen door [verweerder] niet is geprotesteerd, niet kan volgen dat het vertrouwen is gewekt bij MeeGaa dat [verweerder] als professionele tuinder dit beding accepteerde bij opvolgende leveringen na de betreffende telefonische bestellingen” (sub 4.6). De A-G legde hiermee de nadruk op de hierboven onder (i) tot en met (iii) en (vii) vermelde omstandigheden.

Overigens blijkt uit de conclusie dat het geschil over de toepasselijkheid van de exoneratie met dit arrest nog niet is beslecht, omdat volgens verweerder op de afleverbonnen een sticker over de tekst van de exoneratie en de verwijzing naar de algemene voorwaarden zou zijn geplakt, waardoor deze niet leesbaar zou zijn geweest (sub 4.9). Die feitelijke kwestie zal na verwijzing aan de orde kunnen komen.

Share This