Selecteer een pagina

HR 7 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:260 (Afvalzorg c.s./Slotereind)

(1) Ook waar een beding verstrekkende gevolgen heeft (zoals een vervalbeding) of waar het een overeenkomst tussen twee professionele partijen betreft die zich hebben laten bijstaan door juridische adviseurs, kunnen de omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere dan de taalkundige betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. (2) Bij de toepassing van een contractueel vervalbeding wegens te late melding van een klacht moet mede acht worden geslagen op enerzijds het ingrijpende rechtsgevolg daarvan en anderzijds de concrete belangen waarin de schuldenaar door de late klacht is geschaad.

Achtergrond

Het gaat in dit geding om een aandelentransactie waarbij Slotereind, een “topholding” van afvalverwerkingsbedrijven, de aandelen van twee dochtervennootschappen, Beheer en Metro, heeft verkocht aan Afvalzorg.

In art. 5.4 van de desbetreffende overeenkomst was bepaald dat de aansprakelijkheid van Slotereind voor inbreuken op de overeengekomen garanties gold tot 5 respectievelijk tot 3 jaar na de leveringsdatum (naar gelang van de inbreuk in kwestie). In art. 5.5 was voorts bepaald:

“5.5 Indien zich een Inbreuk voordoet, zal de Koper Slotereind daarvan zo spoedig mogelijk in kennis stellen. Ter zake van een aldus gemelde Inbreuk vóór de respectievelijke vervaldata komt de aansprakelijkheid van Slotereind niet te vervallen door het verstrijken van de termijn(en) als vermeld in artikel 5.4.”

Partijen verschillen van mening over de uitleg van art. 5.5 in verhouding tot art. 5.4. Volgens Slotereind behelst art. 5.5 een vervalbeding, op grond waarvan een te late (dat wil zeggen niet “zo spoedig mogelijke”) klacht van Afvalzorg leidt tot verval van aansprakelijkheid (vgl. art. 7:23 BW). Afvalzorg meent daarentegen dat een dergelijke verstrekkende sanctie niet uit de tekst van art. 5.5 blijkt en ook onverenigbaar is met de tweede volzin van art. 5.5 en het complexe karakter van de transactie. In haar visie kwalificeren alleen de drie- en vijfjarige termijn van art. 5.4 als vervaltermijn.

In eerste aanleg koos de rechtbank de kant van Afvalzorg (geen verval van aansprakelijkheid ingevolge art. 5.5), maar in appel trok Slotereind aan het langste eind. Volgens het hof is de tweede volzin van art. 5.5 “zinledig”, omdat het respecteren van een vervaldatum “per definitie” meebrengt dat die datum niet tot verval van rechten leidt. Daarom prevaleert volgens het hof de “niet voor enig misverstand vatbare” tekst van de eerste volzin van art. 5.5. Op grond hiervan leest het hof in art. 5.5 een op zichzelf staand vervalbeding (náást art. 5.4):

“3.6 (…) In combinatie met de daarin dwingend voorgeschreven zo spoedig mogelijke in kennisstelling moet artikel 5 lid 5 naar ’s hofs oordeel zo worden uitgelegd, dat de rechten van Afvalzorg bij niet spoedige in kennisstelling komen te vervallen. Daarnaast wordt de aansprakelijkheid ingevolge het vierde lid beperkt tot 3 jaar, respectievelijk 5 jaar voor bepaalde inbreuken, tenzij daarvoor voor die tijd, maar onverminderd zo spoedig mogelijk, melding is gemaakt.”

Expliciete vermelding verstrekkende sanctie vervalbeding vereist?

In cassatie luidt de meest principiële klacht van Afvalzorg dat bij de uitleg van de litigieuze overeenkomst beslissende betekenis dient toe te komen aan de bewoordingen daarvan en dat (daarom) alleen de verstrekkende sanctie van verval van recht in art. 5.5 (eerste volzin) mag worden gelezen, indien die sanctie “expliciet in de overeenkomst is vermeld”.

De Hoge Raad verwerpt deze klacht, in navolging van de conclusie van A-G Spier (sub 3.14.1 e.v.). De Hoge Raad verwijst naar een tweetal recente arresten, waarin werd geoordeeld dat óók bij de uitleg van commerciële contracten de Haviltex-maatstaf (en niet zonder meer de tekstuele betekenis van de gekozen bewoordingen) beslissend is (zie CB 2013-61 en CB 2013-158). Daarop voortbouwend verwerpt de Hoge Raad de gedachte dat in een commercieel contract verstrekkende (verval)bedingen altijd expliciet moeten worden geformuleerd:

“De regels die door het onderdeel worden voorgesteld, vinden in hun algemeenheid geen steun in het recht. Bij de uitleg van overeenkomsten geldt immers dat, ook indien groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van gekozen bewoordingen, de overige omstandigheden van het geval steeds kunnen meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft aldus de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 5 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8101, NJ 2013/214 (Lundiform/Mexx)). Dat is niet zonder meer anders waar een beding verstrekkende gevolgen heeft, zoals een vervalbeding, of waar het een overeenkomst tussen twee professionele partijen betreft die zich hebben laten bijstaan door externe, ter zake kundige juridische adviseurs, zoals het onderdeel tot uitgangspunt neemt (vgl. HR 20 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0727 (Gemeente Rotterdam/Eneco)).”

Wél slaagt de klacht dat ’s hofs uitleg onbegrijpelijk is. Anders dan het hof acht de Hoge Raad de eerste volzin van art. 5.5 namelijk wel degelijk “voor misverstand vatbaar”. Het hof had daarom nader moeten motiveren waarop het zijn uitleg baseerde:

“De eerste volzin van art. 5.5 van de overeenkomst maakt alleen melding van de verplichting tot het zo spoedig mogelijk melden van inbreuken. Het hof heeft echter uit de naar zijn oordeel “niet voor misverstand vatbare tekst” van die eerste volzin afgeleid dat niet-nakoming van die verplichting leidt tot verval van recht. Aldus heeft het onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang, aangezien zonder motivering niet valt in te zien waarom die tekst eerder tot dit gevolg zou nopen dan tot een ander gevolg (zoals een verplichting tot vergoeding van schade).”

Ontbreken van benadeling relevant bij beroep op contractuele klachtplicht?

Een andere klacht van Afvalzorg luidde dat het hof, uitgaande van de veronderstelling dat in art. 5.5 een vervalbeding was opgenomen, dit beding niet klakkeloos had mogen toepassen, maar had moeten onderzoeken of Slotereind enig nadeel had ondervonden door de late melding van de inbreuken (hetgeen volgens Afvalzorg niet het geval was).

De Hoge Raad honoreert deze klacht, onder verwijzing naar zijn recente rechtspraak over de (wettelijke) klachtplicht van art. 6:89 en 7:23 BW. De in dat verband geldende motiveringseisen – te weten dat acht moet worden geslagen op het ingrijpende rechtsgevolg van een te late klacht en de concrete belangen waarin de schuldenaar is geschaad door het late tijdstip van de klacht (vgl. CB 2013-26) – past de Hoge Raad hier gelijkelijk toe op de onderhavige (althans vermeende) contractuele klachtplicht:

“Indien ervan wordt uitgegaan dat het niet “zo spoedig mogelijk” melden van inbreuken leidt tot verval van recht, kan ook in een geval als het onderhavige de vraag of een melding tijdig is gedaan niet worden beantwoord zonder acht te slaan op alle omstandigheden van het geval. Daarbij dient mede acht te worden geslagen op enerzijds het ingrijpende rechtsgevolg van een te late melding en anderzijds de concrete belangen waarin de schuldenaar is geschaad door het late tijdstip waarop de melding is gedaan (vgl. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600). In het licht van de stellingen van Afvalzorg c.s. had het hof kenbaar in zijn oordeelsvorming moeten betrekken in hoeverre Slotereind ten aanzien van de onderscheiden inbreuken op de garanties nadeel heeft ondervonden doordat Afvalzorg eerst op 30 oktober 1998 schriftelijk melding heeft gemaakt van die inbreuken.”

Ook op verschillende andere punten had het hof steken laten vallen (zo had het hof de zaak ten onrechte terugverwezen naar de rechtbank; zie rov. 4.6), zodat vernietiging en verwijzing volgt.

Share This