HR 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3739

Verhouding tussen de uitleg van een verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden en toepassing van beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Oordeel hof, dat beperkende werking van redelijkheid en billijkheid leidt tot verrekenplicht van de man op grond van artikel 1:141 lid 4 BW, in casu onvoldoende gemotiveerd. Hof heeft met aanname verrekenplicht ten laste van de man bovendien de grenzen van de rechtsstrijd in appel miskend.

Alhoewel huwelijkse voorwaarden als een overeenkomst kunnen worden aangemerkt, zodat daarop ook de beginselen van redelijkheid en billijkheid toepasselijk zijn, wordt in het algemeen aangenomen dat ten aanzien van die toepassing (nog meer dan ten aanzien van ‘gewone’ overeenkomsten)  terughoudendheid passend is. Dat houdt onder meer verband met de goederenrechtelijke effecten van een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden. Dat neemt niet weg dat de toepasselijkheid van redelijkheid en billijkheid op huwelijkse voorwaarden in de jurisprudentie van de Hoge Raad is aanvaard. Zo kan een op grond van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende regel door de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid terzijde worden gesteld. Zie in dit verband bijv. HR 18 juni 2004, NJ 2004/399.

In het onderhavige geval bevatten de huwelijkse voorwaarden van partijen een verrekenbeding, op grond waarvan zij jaarlijks gehouden waren tot verrekening van hun inkomen, niet zijnde zuivere inkomsten uit vermogen. Terzake het begrip ‘inkomen’ verwezen de huwelijkse voorwaarden naar het begrip ‘belastbaar inkomen’ als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964.

De vrouw heeft in rechte afwikkeling van het verrekenbeding verzocht. In eerste aanleg legde de rechter – in het voordeel van de vrouw – het verrekending aldus uit, dat ook opgepotte winst uit de onderneming van de man onder het inkomensbegrip moet worden begrepen. Dit is van belang in verband met artikel 1:141 lid 4 BW. Op grond van die bepaling dienen opgepotte winsten in de afwikkeling van een verrekenbeding te worden betrokken, mits (i) de echtgenoot die de onderneming uitoefent overwegende zeggenschap heeft over de uitkering van winsten van de niet op eigen naam uitgeoefende onderneming, (ii) het verrekenbeding inderdaad ondernemingswinsten omvat en (iii) voor zover zodanige verrekening in het maatschappelijk verkeer als redelijk wordt beschouwd.

In het door de man geëntameerde appel bleef de ruime uitleg die de rechtbank aan het verrekenbeding had gegeven niet in stand. Volgens het hof ziet het verrekenbeding niet op winst uit de B.V. van de man. Niettemin meende het hof dat verrekening als bepaald in artikel 1:141 lid 4 BW dient plaats te vinden, omdat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is indien de man niet zou hoeven afrekenen conform de wens van de vrouw. Deze wens van de vrouw behelsde een vruchtgebruikconstructie, waarbij het rendement over het bedrag dat als uitkeerbare winst wordt vastgesteld aan de vrouw wordt uitgekeerd en het vermogen overigens beschikbaar blijft voor de B.V. van de man.

In cassatie klaagde de man er allereerst over dat het hof via toepassing van derogerende werking van redelijkheid en billijkheid is uitgekomen op een resultaat – verrekening van opgepotte winsten – dat haaks staat op de – door het hof zelf via uitleg van het verrekenbeding vastgestelde – partijbedoeling, te weten dat zij juist niet hebben willen voorzien in zodanige verrekening. Het middel sloot hiermee aan bij de voor het algemene overeenkomstenrecht verdedigde opvatting van Valk dat, kort gezegd, toepassing van de derogerende werking van redelijkheid en billijkheid niet mag leiden tot ‘denaturering’ van de gesloten overeenkomst. Zie de genoemde auteur in: Rechtshandeling en Overeenkomst, 2013, nr. 278. Te wijzen valt in dit verband op jurisprudentie van de Hoge Raad , waaruit volgt dat met een beroep op artikel 6:248 lid 2 BW niet kan worden bewerkstelligd dat algemene voorwaarden die in de rechtsverhouding tussen partijen niet van toepassing zijn, alsnog toepasselijk worden (HR 6 februari 2004, NJ 2004/349), of dat de dekking van een verzekeringspolis wordt uitgebreid tot buiten de primaire dekkingsomschrijving (HR 9 juni 2006, NJ 2006/326).

De Hoge Raad vertaalt deze klacht aldus, dat daarmee is betoogd dat het hof onvoldoende terughoudendheid heeft betracht en zijn eigen redelijkheidsoordeel in de plaats heeft gesteld van de huwelijkse voorwaarden. Dié klacht kan naar de Hoge Raad meent niet tot cassatie leiden. Volgens de Hoge Raad moet het oordeel van het hof aldus worden verstaan dat het, gelet op de omstandigheden van het geval, onaanvaardbaar is dat partijen afrekenen op de voet van het overeengekomen verrekenbeding  en dat daarom verrekening als bepaald in artikel 1:141 lid 4 BW dient plaats te vinden. Zie: rov. 3.6.

Met de man meent de Hoge Raad echter wel dat de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden een onvoldoende motivering vormen voor het oordeel van het hof dat toepassing  van het tussen partijen overeengekomen verrekenbeding op basis van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Die omstandigheden hielden, kort gezegd, in: (a) dat de vrouw beschikte over een vergunning, waarmee het voor de man mogelijk was om zijn onderneming te drijven, (b) dat de man zich tijdens het huwelijk een relatief laag salaris had laten uitkeren en (c) dat de kosten van de huishouding weliswaar werden voldaan uit de opbrengst van de vastgoedportefeuille van de man in privé, maar dat het surplus van die inkomsten nooit aan de vrouw ten goede is gekomen. De Hoge Raad overweegt in dit verband:

“3.8 (…) Wat betreft de omstandigheid onder (a) betoogt onderdeel 4.7 met juistheid dat het feit dat het vermogen van een echtgenoot (mede) door de arbeidsinspanning van de andere echtgenoot is toegenomen, onvoldoende is om het overeengekomen huwelijksgoederenregime op grond van de redelijkheid en billijkheid te doorbreken (vgl. HR 11 april 1986, NJ 1986/622 en HR 25 november 1988, NJ 1989/529), en dat dit eens temeer geldt in geval als het onderhavige waarin vaststaat dat de vrouw voor haar werkzaamheden in de onderneming van de man salaris heeft ontvangen.

Wat betreft de omstandigheid onder (b), is de klacht van onderdeel 4.6 gegrond dat zonder nadere toelichting niet valt in te zien dat het door de man ontvangen salaris van € 89.000,- onder de gegeven omstandigheden, mede gelet op de daarop door de belastingadviseur gegeven toelichting, als onredelijk laag moet worden beschouwd.

Tenslotte geldt met betrekking tot omstandigheid (c) dat niet valt in te zien dat het feit dat de inkomsten uit verhuur van het privé onroerend goed van de man ten dele (onverplicht) werden aangewend voor de kosten van de huishouding, maar voor het overige niet aan de vrouw ten goede zijn gekomen (dit laatste overeenkomstig hetgeen in de huwelijkse voorwaarden was overeengekomen) kan bijdragen aan het oordeel dat verrekening op basis van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.”

De Hoge Raad meende bovendien – met de man – dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd was getreden door de man te verplichten tot verrekening op de voet van artikel 1:141 lid 4 BW, terwijl hetgeen de vrouw in dit verband had verzocht – zie de hiervoor besproken vruchtgebruikconstructie – een minder vergaande strekking had.

De man werd in cassatie bijgestaan door de auteur en Kasper Jansen en in de feitelijke instanties door Thomas Subelack.

Share This