HR 6 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3242 (PNO/KPN)

De Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel bieden geen grondslag voor vergoeding van een “herstelpremie” ter financiering van toekomstige indexaties van pensioenen. Het strookt niet met de tekst van de Rekenregels, noch met het doel van deze regeling, om het bedrag dat nodig is ter dekking van het indexeringsrisico ten laste te brengen van de uittredende werkgever.

Eiseres tot cassatie PNO is een niet verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds in de zin van de Pensioenwet (voorheen: Pensioen- en spaarfondsenwet). Nozema, de rechtsvoorgangster van KPN, was eertijds (onverplicht) aangesloten bij PNO. Nadat Nozema door een fusie met KPN is opgehouden te bestaan, zijn de werknemers van Nozema in de pensioenregeling van KPN ondergebracht. KPN heeft in verband hiermee haar deelname aan de pensioenregeling van PNO beëindigd.

Op grond van een eertijds tussen Nozema en PNO gesloten overeenkomst was KPN gehouden tot vergoeding van het door PNO ten gevolge van de uittreding uit het pensioenfonds geleden “verzekeringstechnisch nadeel”.[1] Het geschil spitst zich toe op de vraag of onder dit begrip ook een door PNO aan KPN gefactureerde “herstelpremie” ten bedrage van € 837.765,- valt. Deze herstelpremie was volgens PNO bedoeld ter financiering van toekomstige indexaties van pensioenen.

In cassatie staat niet (meer) ter discussie dat het in de overeenkomst opgenomen begrip “verzekeringstechnisch nadeel” dient te worden uitgelegd conform de (wet)technische betekenis die aan dit begrip is gegeven in de “Rekenregels verzekeringstechnisch nadeel” (Bijlage 2 bij het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf). Het hof was van oordeel dat de Rekenregels geen grondslag bieden voor vergoeding van een herstelpremie zoals door PNO gefactureerd en de Hoge Raad bevestigt dat.

De Hoge Raad stelt voorop dat de Rekenregels zijn aan te merken als recht in de zin van art. 79 lid 1 RO (r.o. 3.4). Het gaat dus in cassatie om de vraag of het hof in het kader van zijn wetsconforme contractsuitleg een rechtens juiste uitleg heeft gegeven aan het begrip verzekeringstechnisch nadeel uit de Rekenregels.

PNO betoogde in cassatie dat de door haar gefactureerde herstelpremie zou vallen onder het bepaalde in onderdeel 2 van de Rekenregels betreffende “onderdekking”, te weten dat de uittredende werkgever in geval van onderdekking op gelijke voet moet bijdragen aan de financiering van de achterstand. Volgens PNO zou die situatie zich voordoen zolang PNO haar (zelfgekozen) “streefdekkingsgraad” van 125,5% nog niet had bereikt.

De Hoge Raad verwerpt deze uitleg, onder verwijzing naar de in de conclusie van A-G Wissink (sub 3.18-3.24) besproken regelgeving en beleidsdocumenten. Daaruit leidt de Hoge Raad af dat het begrip “onderdekking” in de zin van de Rekenregels ziet op de situatie “dat het minimaal vereist eigen vermogen van een pensioeninstelling minder bedraagt dan 5% van de technische voorzieningen die de pensioeninstelling aanhoudt ter dekking van het geheel van de door haar uitgevoerde pensioenregelingen”. Van onderdekking in de zin van de Rekenregels is dus (slechts) sprake indien de pensioeninstelling niet voldoet aan de minimaal vereiste dekkingsgraad van 105% (r.o. 3.5.7). In casu stond vast dat de dekkingsgraad van PNO ten tijde van de uittreding van KPN (Nozema) ruim 118% bedroeg. Er was hier dus geen sprake van onderdekking in de zin van de Rekenregels (r.o. 3.5.8).

Verder betoogde PNO in cassatie dat de door haar gefactureerde herstelpremie zou vallen onder het bepaalde in onderdeel 1 sub c van de Rekenregels omtrent “inkoop van aanspraken voor niet-actieven”. Meer concreet betoogde PNO in dit verband dat niet alleen de inkoop van aanspraken, maar ook de toekenning van toekomstige indexeringsaanspraken zou hebben te gelden als de “inkoop” van aanspraken voor niet-actieven in de zin van art. 1 onder c van de Rekenregels.

De Hoge Raad verwerpt deze uitleg, onder verwijzing naar de in de conclusie (sub 3.10-3.13) besproken totstandkomingsgeschiedenis van de Rekenregels. Daaruit leidt de Hoge Raad af dat onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de “inkoop van aanspraken voor niet-actieven” en anderzijds het “indexeringsrisico”. De Rekenregels voorzien volgens de Hoge Raad niet in algemene zin in compensatie van het bedrag dat nodig is ter dekking van het risico dat is verbonden aan de (toekomstige) indexering van de aanspraken van niet-actieven (r.o. 3.6.2). Daarom kan niet worden aanvaard dat elke premieheffing die plaatsvindt met het oog op de toekenning van indexering aan niet-actieven, heeft te gelden als de inkoop van aanspraken voor niet-actieven in de zin van onderdeel 1 sub c van de Rekenregels:

“3.6.3 (…) Deze door PNO voorgestane uitleg van de Rekenregels, die ertoe zou leiden dat het bedrag dat nodig is ter dekking van het indexeringsrisico, mede ten laste zou komen van KPN als uittredende werkgever, strookt niet met de tekst van de Rekenregels, noch met het uit de totstandkomingsgeschiedenis af te leiden doel van deze regeling.”

Kern van de zaak is dus dat PNO haar zelfverkozen indexatiedoelstelling zelf dient te financieren, en niet als “verzekeringstechnisch nadeel” ten laste van KPN als uittredende werkgever kan brengen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep.

KPN is in cassatie bijgestaan door Karlijn Teuben en de auteur, en in feitelijke instanties door Wemmeke Wisman en Ruben van Arkel.

[1] De gedachte achter zo’n vergoedingsregeling is dat een uittredende onderneming met een goedkoop personeelsbestand (bestaande uit relatief jonge werknemers) niet mag profiteren van haar uittreding.

 

Share This