Selecteer een pagina

CB 2011, 3 – HR 15 april 2011, LJN ECLI:NL:2011:BP2309

Kan de cacaobewaarnemer de kosten die hij heeft gemaakt om de met asbest besmette cacao te reinigen op zijn verzekeraars verhalen als bereddingskosten?

Het gaat in deze zaak om de bewaarneming van een partij cacao. Nadat het vermoeden was ontstaan dat de partij cacao vervuild was door asbest, heeft de bewaarnemer de cacao laten reinigen en naar andere loodsen verplaatst. In deze procedure vordert de bewaarnemer de kosten van deze maatregel (in totaal € 708.247,18) van haar verzekeraars als bereddingskosten.

Het juridisch kader: art. 283 lid 1 K (oud) legt op de verzekerde de plicht “alle vlijt en naarstigheid in het werk te stellen, teneinde schade te voorkomen of te verminderen”. De verzekeraar is vervolgens verplicht de onkosten die de verzekerde heeft gemaakt, te vergoeden, ook als deze kosten tezamen met de geleden schade de verzekerde som te boven gaan of als de bereddingsmaatregelen tevergeefs zijn geweest. Er moet wel sprake zijn van onmiddellijk dreigend gevaar, dat slechts door het treffen van bijzondere maatregelen kan worden weggenomen. Verder moeten de maatregelen ten bate van de verzekeraar zijn genomen, waarbij niet relevant is dat de verzekerde (ook) op een andere grond gehouden was de maatregelen te treffen. Zie voor deze maatstaf: HR 30 november 2007, NJ 2007, 641, LJN BA7560.

De vraag of in een concreet geval sprake is van een “onmiddellijk dreigend gevaar” vergt een waardering van de feiten. Zo’n oordeel is voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie niet op juistheid kan worden getoetst. Wel kan zo’n oordeel met een motiveringsklacht worden bestreden. Dat is in dit arrest met succes gebeurd.

Het hof kwalificeerde de omstandigheden als een onmiddellijk dreigend gevaar, omdat (i) de bewaargevers op ieder moment om afgifte van de cacao konden vragen en SGS aansprakelijk zouden stellen omdat zij daaraan niet kon voldoen, (ii) de bewaargevers op ieder moment konden ontdekken dat de opgeslagen cacao met asbest was vervuild en daaruit claims en reputatieschade zou kunnen voortvloeien. De Hoge Raad vindt dit oordeel onvoldoende begrijpelijk in het licht van de stelling van verzekeraars dat de asbestbesmetting van de zakken gering was en beperkt was tot de bovenste laag, dat deze besmetting restloos verwijderbaar was en dat met de verplaatsing van de zakken naar elders geen bijzondere haast geïndiceerd was. Bovendien was geen afgifte van de cacao gevraagd. Tegen de achtergrond van deze stellingen acht de Hoge Raad in het bijzonder niet duidelijk op grond waarvan het hof heeft geoordeeld dat afgifte van de cacao – indien daarom was gevraagd – niet mogelijk was.

A-G Timmerman ging overigens niet mee in de motiveringsklacht van verzekeraars. Volgens hem ging het om een niet onverdedigbare uitleg van de in het geding gebrachte rapportages, die aan de feitenrechter is voorbehouden (concl. onder 3.13). De Hoge Raad denkt daar dus anders over.

De regeling voor bereddingskosten in het nieuwe verzekeringsrecht (art. 7:957 BW) komt inhoudelijk goeddeels overeen met de regeling van art. 283 K (oud).

Share This