Selecteer een pagina

HR 12 februari 2021 ECLI:NL:HR:2021:227

Opvolgende machtiging ook indien het verzoek is ingediend na het verstrijken van de geldigheidsduur van de vorige machtiging; termijnoverschrijding in mindering op geldigheidsduur.

Het verzoek voor een opvolgende machtiging met een geldigheidsduur van twee jaar was door het CIZ ingediend op 8 juli 2020, twee dagen na het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging. Het CIZ verzocht desondanks een machtiging te verlenen voor twee jaar, omdat het niet in het belang van betrokkene was om over een half jaar opnieuw met een rechterlijke procedure te worden geconfronteerd en haar toestandsbeeld de komende jaren naar verwachting niet zal verbeteren. De rechtbank had dat verzoek gehonoreerd en een machtiging verleend met ingang van de datum van haar beschikking, 24 juli 2020, en voor de (verzochte) duur van twee jaar, dus geldig tot en met 24 juli 2022.

Het middel kwam hiertegen op met twee klachten: (i) er had geen opvolgende machtiging mogen worden verleend en (ii) de rechtbank had de periode waarin betrokkene zonder machtiging in de accommodatie heeft verbleven moeten aftrekken van de maximale termijn van de te verlenen machtiging.

De Hoge Raad beslist in lijn met zijn rechtspraak onder de Wet Bopz (oud), wat betekent dat de tweede klacht slaagt en de eerste niet.

In verband met de eerste klacht wijst de Hoge Raad op overeenkomst (en een verschil) tussen art. 39 Wzd en art. 15 Wet Bopz (oud) en constateert verder dat er geen aanwijzingen zijn dat de wetgever verlening van een opvolgende machtiging als bedoeld in art. 39 lid 5 Wzd heeft willen uitsluiten voor een geval waarin het daartoe strekkende verzoek na afloop van de geldigheidsduur van de voorgaande machtiging is ingediend, maar de betrokkene nog in de accommodatie verblijft.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat de rechter, gelet op het door de wettelijke termijnen beschermde belang van de betrokkene, ook in geval van een verzoek als bedoeld in art. 39 lid 5 Wzd de termijnoverschrijding in mindering dient te brengen op de geldigheidsduur van de verzochte machtiging. Een vergelijkbaar oordeel had de Hoge Raad eerder gegeven ten aanzien van een niet tijdig verzochte machtiging tot voortzetting van het verblijf in een accommodatie waarin de betrokkene eerder op grond van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verbleef.

De Hoge Raad doet de zaak zelf af, vernietigt de beschikking van de rechtbank in zoverre, en bepaalt dat de verzochte machtiging wordt verleend tot en met 6 juli 2022.

Share This