Selecteer een pagina

Hoge Raad 29 mei 2020 ECLI:NL:HR:2020:986

Een advocaat is niet aansprakelijk voor het nalaten van het stuiten van de verjaring van een aan zijn cliënt gecedeerde vordering die niet rechtsgeldig blijkt te zijn overgedragen, nu stuiting nutteloos zou zijn geweest.

 Het gaat in dit geschil over de vraag of een advocaat (verweerder in het principale cassatieberoep, eiser in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep, hierna: de advocaat) aansprakelijk is door na te laten de verjaring te stuiten van een aan zijn cliënt gecedeerde vordering.

Feiten en verloop geding in feitelijke instanties

 Eiser heeft in de periode oktober 2001-maart 2002 een reorganisatie uitgevoerd bij de vennootschap [B] B.V. (hierna: B). B en een betrokkene hebben in januari 2002 een Business Purchase Agreement (hierna: BPA) gesloten tot overname van B. Deze overname heeft uiteindelijk geen doorgang gevonden. Daarop heeft B de betrokkene aansprakelijk gesteld voor alle schade die het gevolg is van de niet-nakoming van de BPA.

Bij akte van 21 februari 2002 heeft B haar vordering uit hoofde van de BPA aan eiser overgedragen. De advocaat heeft vanaf 25 april 2002 als advocaat eiser bijgestaan bij het innen van de vordering. De betrokkene heeft echter het standpunt ingenomen dat de cessie niet voor faillissement van B aan de betrokkene is medegedeeld, en daarmee de vordering niet rechtsgeldig aan eiser is overgedragen. De advocaat heeft hierop besloten een procedure geen doorgang te laten vinden

De dienstverlening van de advocaat aan eiser is geëindigd in september 2005. Uiteindelijk hebben de curatoren in het faillissement van B in januari 2007 alsnog de vordering uit hoofde van de BPA aan eiser overgedragen. Eiser heeft daarop opnieuw geprobeerd de vordering te innen, maar deze bleek per 8 januari 2004 verjaard te zijn. Uiteindelijk heeft eiser de advocaat in maart 2011 aansprakelijk gesteld voor het nalaten de verjaring van de vordering uit hoofde van de BPA te stuiten in de periode waarin de advocaat hem heeft bijgestaan.

Eiser vordert (1) een verklaring voor recht dat de advocaat jegens hem is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als advocaat, althans (2) dat hij jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld, en schadeplichtig is. Ten slotte vordert (3) eiser schadevergoeding, op te maken bij staat. Aan deze vorderingen legt eiser ten grondslag dat de advocaat heeft nagelaten de verjaring van de vordering tijdig te stuiten, waardoor de vordering is verjaard en incasso daarvan onmogelijk is geworden.

In eerste aanleg heeft de rechtbank de vorderingen van eiser afgewezen. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het hof eerst overwogen dat een advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Deze zorgvuldigheidsnorm brengt in beginsel mee dat hij zich niet alleen mag beperken tot de verrichtingen waar zijn cliënt om gevraagd heeft, maar dat hij zelfstandig dient te beoordelen welke verrichtingen voor de zaak van belang zijn. Het had daarom op de weg van de advocaat gelegen om, voordat hij de vordering zou proberen te incasseren, eerst zou onderzoeken dat eiser ook inderdaad de rechthebbende was geworden c.q. was van de vordering en hem over de mogelijke consequenties in te lichten. Voor een zorgvuldige behandeling van de zaak had het daarnaast op de weg van advocaat gelegen om voorafgaand aan de inning van de vordering te controleren welke verjaringstermijn er ten aanzien van de vordering liep en deze had moeten stuiten. Dat uitgangspunt gaat ook op in de onderhavige situatie, waarin onduidelijkheid bestond of de vordering (rechtsgeldig) was overgedragen.

Voor het hof heeft de advocaat zich in zijn verweer (onder meer) beroepen op de klachtplicht van art. 6:89 BW. Naar het oordeel van het hof slaagt dit verweer, onder meer nu eiser de advocaat nadeel heeft berokkend doordat de advocaat zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekering per 8 april 2008 had opgezegd, waarmee het recht van eiser om te klagen over het door de advocaat niet tijdig stuiten van de verjaring van de vordering, is vervallen.

Het geding in cassatie

 In het principale cassatiebrief klaagt eiser (onder meer) dat het hof een rechtens onjuist en onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven ten aanzien van de klachtplicht. Daarbij voert eiser tevens aan dat onjuist, althans onbegrijpelijk is dat het hof tot de conclusie is gekomen dat (kort gezegd) verweerder nadeel heeft geleden door het te klagen nu hij zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft opgezegd.

In het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep klaagt de advocaat tegen het oordeel van het hof dat de advocaat niet aan eiser kan tegenwerpen dat een stuiting van de verjaring geen effect zou hebben gehad. Dit oordeel, zo stelt het middel, kan niet volgen uit de daaraan voorafgaande overwegingen, waarin het hof oordeelt dat de advocaat voor aanvang van de incassowerkzaamheden zich ervan had moeten vergewissen dat eiser inderdaad rechthebbende was van de vordering en de consequenties daarvan voor de rechtspositie van eiser met hem had moeten bespreken. Het middel concludeert dat ook als de advocaat het voorgaande daadwerkelijk zou hebben gedaan, dit niets zou hebben veranderd aan de feitelijke situatie: eiser was ten tijde van de opdracht aan de advocaat geen rechthebbende op de vordering (geworden) en de cessie kon door het faillissement van B ook niet meer worden voltooid. De advocaat had de verjaring dus niet rechtsgeldig kunnen stuiten.

De Hoge Raad behandelt eerst het voorwaardelijk, incidentele cassatieberoep, nu dit de verste strekking heeft.

De Hoge Raad acht het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep gegrond. Daarbij overweegt de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.2 dat het hof niet voldoende gemotiveerd heeft dat de advocaat had moeten onderzoeken of eiser rechthebbende op de vordering was geworden. Immers, naleving van die onderzoeksverplichting zou onverlet hebben gelaten dat de advocaat de vordering namens eiser niet had kunnen stuiten, omdat eiser geen rechthebbende was van deze vordering. Daarmee concludeert de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.3 dat er na verwijzing geen ander oordeel mogelijk zou zijn dan dat de advocaat niet aansprakelijk is voor het nalaten van die stuiting.

In het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van de advocaat was ook nog als klacht aangevoerd dat voor zover het hof met zijn oordeel had bedoeld dat de advocaat de vordering voorwaardelijk had moeten stuiten, het hof had miskend dat een voorwaardelijke stuiting van de verjaring rechtens niet mogelijk is. De Hoge Raad is op deze klacht niet expliciet ingegaan, maar uit zijn oordeel dat de advocaat niet aansprakelijk is lijkt af te leiden dat een voorwaardelijke stuiting niet mogelijk is, althans dat dit niet van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar gevergd kon worden.

Het oordeel van de Hoge Raad is ten aanzien van het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep in lijn met de conclusie van A-G Hartlief. De A-G had daarnaast geconcludeerd tot gedeeltelijke gegrondverklaring van het principaal cassatieberoep met betrekking tot de klachtplicht en daarmee vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad stelt echter vast dat op grond van hetgeen in 3.3 is overwogen, eiser geen belang meer heeft bij zijn principale beroep, dat is gericht tegen het oordeel van het hof dat zijn recht om te klagen is vervallen.

Volgt verwerping van het principale beroep.

De advocaat is in cassatie bijgestaan door Karlijn Teuben.

Share This