Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Omvang van het geding na cassatie en verwijzing: samenloop vorderingen Luchtvaartwet

CB 2018-181 Geplaatst op 15 november 2018 door

HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1972 (Chipshol III/Luchthaven Schiphol)

Het gaat in deze zaak om inmiddels vervallen schadevergoedingsbepalingen op grond van de Luchtvaartwet. In deze procedure worden zowel de schadevergoeding op grond van art. 50 LVW (oud) wegens waardevermindering door het opleggen van een bouwverbod, als de afdracht van waardevermindering door het vervolgens opheffen van dat bouwverbod, beoordeeld. De Hoge Raad overweegt dat deze procedures op grond van de LVW grote gelijkenis vertonen met het onteigeningsrecht, en tussentijds cassatieberoep tegen een tussenvonnis dan ook niet kan worden opengesteld. In deze zaak ging het ten aanzien van de ene vordering (de waardevermindering) om een procedure na cassatie en verwijzing, waarvoor het algemene uitgangspunt geldt dat de rechter op niet of tevergeefs bestreden beslissingen in beginsel niet mag terugkomen. Ten aanzien van de andere vordering (de waardevermeerdering) ging het om een zaak waarin nog geen einduitspraak was gedaan. Omdat de leer van de bindende eindbeslissing in deze procedures op grond van de LVW niet geldt, betekent dat dat de rechter nog wel op zijn eerdere (tussen)beslissingen mag terugkomen. Omdat de waardevermindering en waardevermeerdering in samenhang moeten worden beoordeeld, brengt dat een uitzondering op de gebondenheid na cassatie aan niet of tevergeefs bestreden beslissingen mee: wanneer omstandigheden worden meegewogen voor het oordeel over de waardevermeerdering, moeten deze ook worden betrokken in het oordeel over waardevermindering. 

Luchtvaartwet

Deze zaak gaat over vorderingen op grond van de Luchtvaartwet. Het gaat om een vordering tot schadeloosstelling op grond van art. 50 LVW (oud) wegens waardevermindering door het opleggen van een bouwverbod, en om de vordering tot afdracht op grond van art. 55 LVW (oud) van de waardevermeerdering als gevolg van het opheffen daarvan. Deze bepalingen zijn in 2008 komen te vervallen, en waren ten aanzien van de luchthaven Schiphol al in 2003 buiten werking gesteld. Het bouwverbod waar het in deze zaak om gaat dateert echter uit 2003, zodat de bepalingen in dit geval nog wel konden worden toegepast.

Op grond van art. 50 LVW (oud) moet de schade die eigenaren of rechthebbenden wordt geleden door een bouwverbod als bedoeld in art. 38 LVW (oud). Op grond van dat artikel kon de Minister op terreinen in de buurt van een luchtvaartterrein het oprichten of hebben van bouwwerken, andere opstallen of gewassen op die terreinen, geheel verbieden of daaraan een maximale hoogte verbinden. De schade moest op grond van art. 50 LVW (oud) door de exploitant van het luchtvaartterrein worden vergoed. Wanneer het bouwverbod vervolgens wordt opgeheven, kan de exploitant van het luchtvaartterrein op grond van art. 55 LVW de waardvermeerdering van de onroerende zaken vorderen, dit ten hoogste tot het beloop van het bedrag dat bij het opleggen van het verbod als schadevergoeding werd toegekend (in het geval van gehele opheffing).

Achtergrond

Het ging in deze zaak om het Groenenbergterrein, dat in 1993 door M.C. Groenenberg aan Chipshol in economische eigendom is overgedragen. In 2003 werden de bouwmogelijkheden op dit terrein met een bouwverbod beperkt. In 2007 is dit bouwverbod weer opgeheven. In 2007 is het gedeelte van het terrein dat (onder meer na onteigening) nog resteerde, door Groenenberg geleverd aan Chipshol.

Chipshol heeft op grond van art. 50 LVW (oud) een schadevergoeding van de luchthaven gevorderd. Bij provisioneel vonnis van 19 juli 2007 heeft de rechtbank Haarlem een bedrag van € 19.000.000,– toegewezen als voorschot op de door Chipshol geleden schade. Dit vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard nadat Chipshol ten gunste van de Luchthaven een bankgarantie had afgegeven. Partijen hebben cassatieberoep ingesteld tegen dit en twee andere tussenvonnissen, maar werd daarin niet-ontvankelijk verklaard (HR 6 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5056 en ECLI:NL:HR:2009:BG5058) omdat het provisionele vonnis inmiddels door de einduitspraak was vervangen. De Luchthaven werd bij eindvonnis van 30 januari 2008 veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 16.000.000,–.  Bij arrest van 19 februari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK4476) heeft de Hoge Raad dit vonnis vernietigd en de zaak verwezen naar het hof.

In een afzonderlijk geding op grond van art. 55 LVW, heeft de Luchthaven vorderingen ingesteld tegen Chipshol. Deze vorderingen komen neer op terugbetalingen van het in de art. 50-procedure ontvangen bedrag (met nevenvorderingen). De rechtbank Haarlem heeft de Luchthaven niet-ontvankelijk verklaard omdat in dit geval in over de art. 55-vordering in de art. 50-procedure moet worden beslist. De tegen dit vonnis ingestelde cassatieberoepen zijn door de Hoge Raad verworpen bij arrest van 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4126, CB 2013-38.

Hierom is de art. 55-vordering ingebracht in de al bij het hof aanhangige art. 50-procedure. Deze gang van zaken leidde er toe dat in de art. 50-procedure sprake was van een behandeling na vernietiging in cassatie, terwijl met betrekking tot de art. 55-vordering sprake was van ‘reguliere’ voortzetting van het (voor de rechtbank Haarlem aangevangen) geding.

Het cassatieberoep in deze zaak richt zich tegen een reeks tussenarresten van het hof waarin het hof onder meer ingaat op de uitgangspunten van een beoogd deskundigenonderzoek. Het hof heeft tussentijds cassatieberoep opengesteld, waarna Chipshol principaal en de Luchthaven incidenteel cassatieberoep hebben ingesteld.

Tussentijds cassatieberoep: ontvankelijkheid

In het tussen partijen gewezen arrest van de Hoge Raad van 6 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5056 had de Hoge Raad bepaald dat, nu de Luchtvaartwet geen regeling bevat omtrent de vraag of tussentijds cassatieberoep mogelijk is, het algemene art. 401a Rv van toepassing is. In de tussen partijen gewezen arresten van de Hoge Raad van 19 februari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BK4476) en 22 februari 2013, (ECLI:NL:HR:2013:BY4126) heeft de Hoge Raad beslist dat de leer van de bindende eindbeslissing in de procedures op grond van de artikelen 50 en 55 LVW (oud) niet geldt. Daarbij acht de Hoge Raad van belang dat in art. 54 lid 1 LVW (oud) onder  meer art. 37 lid 2 Ow (waaruit wordt afgeleid dat de rechter bij één vonnis uitspraak moet doen over de schadeloosstelling) van overeenkomstige toekomstig is verklaard op het geding op de procedure op grond van de LVW (oud).

In onteigeningszaken, waarmee de procedures op grond van de LVW (oud) grote gelijkenis vertonen, is tussentijds cassatieberoep tegen een tussenuitspraak waarin noch de onteigening is uitgesproken, noch een voorschot is bepaald, noch uitspraak is gedaan over de schadeloosstelling, niet mogelijk. De Hoge Raad heeft recent, bij arrest van 13 juli 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1221, CB 2018-128) bepaald dat dat meebrengt dat het hof ook niet (op grond van art. 401a lid 2 Rv) tussentijds cassatieberoep kan openstellen. In die omstandigheden ziet de Hoge Raad aanleiding om terug te komen op zijn oordeel in het arrest van 6 februari 2009 dat art. 401a Rv van toepassing is op het onderhavige geding. Net als bij onteigeningszaken is in de procedures op grond van art. 50 LVW (oud) en art. 55 LVW (oud) verzet de bijzondere aard zich ertegen dat cassatieberoep openstaat tegen tussenuitspraken.

In dit geval ziet de Hoge Raad ervan af om partijen niet-ontvankelijk te verklaren, omdat ze er op grond van het eerdere arrest op mochten uitgaan dat tussentijds cassatieberoep met verlof van het hof mogelijk was, en ontvankelijkheid van het cassatieberoep in dit geval ook niet op praktische bezwaren stuit.

Omvang van het geding na cassatie en verwijzing

De Hoge Raad stelt voorop dat de rechter naar wie het geding na vernietiging door de Hoge Raad is verwezen, op grond van art. 424 Rv de behandeling daarvan moet voortzetten en dient te beslissen met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. Daarbij is uitgangspunt dat de verwijzingsrechter de zaak moet behandelen in de stand waarin deze zich bevond toen de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak werd gewezen, en is gebonden aan de in die uitspraak gegeven beslissingen die in cassatie niet of tevergeefs zijn bestreden. Dat brengt mee dat in het geding na verwijzing geen plaats is voor het aanvoeren van nieuwe feiten en omstandigheden. Dit geldt ook in onteigeningszaken (HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1221, CB 2018-128) en er bestaat geen reden anders te oordelen in procedures op de voet van art. 50 en art. 55 LVW (oud).

Dat laat echter onverlet dat partijen zich, ook in onteigeningszaken of een procedure als de onderhavige, in het geding na verwijzing mogen beroepen op (wijziging van) feiten en omstandigheden die zich na de vernietigde uitspraak hebben voorgedaan, mits partijen daardoor de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie niet overschrijden.

Het onderhavige geding kenmerkt zich door de bijzonderheid dat enerzijds (voor wat betreft de art. 50-vordering) sprake is van een verwijzingsgeding na cassatie, waarvoor de hiervoor genoemde beperkingen gelden, en anderzijds sprake is van een geding waarin nog geen einduitspraak over de schadeloosstelling is gedaan en waarin de leer van de bindende eindbeslissing niet geldt (zie hiervoor, zoals bepaald in HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4476 en HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4126). De wederzijdse vorderingen vertonen daarnaast een onderlinge samenhang en moeten zo veel mogelijk in onderlinge samenhang worden behandeld. Omdat van een ongerechtvaardigde verrijking sprake is als Chipshol meer zou verkrijgen dan de door haar werkelijk geleden schade, moet de waarde van de grond niet geïsoleerd worden beoordeeld maar moet deze ook worden bezien in relatie tot de toe te kennen schadevergoeding in de art. 50-procedure.

De Hoge Raad beslist dat aangezien de waardevermeerdering als gevolg van de opheffing van het bouwverbod rechtstreeks van invloed is op de schade die als gevolg van de oplegging van het bouwverbod is geleden, de rechter die over de art. 50-vordering beslist acht moet kunnen slaan op feiten en omstandigheden die in het debat over de art. 55-vordering een rol spelen, zonder daarin te worden beperkt door de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing. Wanneer de rechter feiten en omstandigheden meeweegt voor zijn oordeel over de art. 55-vordering, moet hij ze ook betrekken in zijn oordeel over de art. 50-vordering. Alleen in zoverre is de verwijzingsrechter in de art. 50-procedure niet gebonden aan in cassatie niet of tevergeefs bestreden beslissingen.

De onderlinge samenhang van de vorderingen brengt mee dat de resultaten van de onderzoeken in de art. 50-vordering en de art. 55-vordering met elkaar vergelijkbaar moeten zijn; dat betekent dat als de rechter bij de beoordeling van de art. 55-vordering zou willen uitgaan van kerngegevens of van een begrotingssystematiek die afwijkt van die in de art. 50-procedure, zou ook een daarmee overeenstemmende heropening van het debat met betrekking tot de art. 50-vordering moeten worden toegelaten. Op eerdere beslissingen op dit punt in de art. 55-procedure mag het hof nog terugkomen, nu de leer van de bindende eindbeslissing in de onderhavige zaak niet geldt.

Dat betekent dat Chipshol zich met betrekking tot de art. 50-procedure kan beroepen op feiten en omstandigheden waarop zij zich in het voor het vonnis van 30 januari 2008 gevoerde partijdebat redelijkerwijs had kunnen beroepen of zich tevergeefs heeft beroepen, zelfs als daarmee de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie worden overschreden. Dit geldt echter alleen wanneer die feiten en omstandigheden naar het oordeel van het hof ook van belang zijn voor de beoordeling van de art. 55-vordering.

Op het uitgangspunt dat het debat in de art. 50-procedure na verwijzing begrensd is en niet algeheel wordt heropend, bestaat in dit geval veel ruimte voor uitzonderingen. Voor een algeheel heropenen van het debat in de art. 50-procedure is echter geen plaats, beslist de Hoge Raad.

Verhouding tussen omvang art. 50-procedure en art. 55-procedure

Op grond van art. 55 LVW (oud) is het bedrag dat de Luchthaven kan vorderen wegens de waardevermeerdering door de opheffing van het bouwverbod, gemaximeerd op het bedrag dat bij de oplegging van het verbod als schadevergoeding is toegekend. In cassatie speelde ook nog de vraag of daarbij de in eerste instantie toegekende schadevergoeding als geheel het maximum was en eventuele bijkomende vergoedingen (zoals beleggingsschade), of dat het maximum bestond uit het voor de waardevermindering toegekende bedrag. De Hoge Raad beslist dat als maximum moet worden betrokken de schadevergoeding als geheel en art. 55 LVW (oud) dus een grondslag biedt voor restitutie van de toegekende schadevergoeding voor beleggingsschade voor zover blijkt dat die door opheffing van het bouwverbod feitelijk is tenietgedaan.

Verwachtingswaarde

De Hoge Raad gaat ook in op de vraag op welke manier moet worden omgegaan met de waardeverandering van de grond tussen 2003 en 2007 die niet door de oplegging of opheffing van het bouwverbod is veroorzaakt. Een eventuele waardestijging van het terrein als gevolg van een algemene stijging van de prijs van bouwgrond moet in elk geval aan eigenaar Chipshol toekomen. De Luchthaven betoogde dat echter geen rekening mag worden gehouden met de waardestijging tussen 2003 en 2007 voor zover die betrekking heeft op de verwachting dat het bouwverbod zou worden opgeheven.

Volgens de Hoge Raad is het op zichzelf niet in strijd met de uitgangspunten van art. 55 LVW (oud) dat bij het bepalen van de waarde van het terrein direct vóór de opheffing van het bouwverbod een verwachtingswaarde ten aanzien van die opheffing wordt verdisconteerd. Dat is immers ook in overeenstemming met de uitgangspunten van het onteigeningsrecht, die ook in de procedures op de voet van art. 50 en 55 LVW (oud) richtinggevend zijn. Daarbij geldt dat met (concrete plannen voor) de opheffing zelf geen rekening mag worden gehouden (vgl. art. 40c OW), wat in beginsel zal leiden tot een schatting van de verwachtingen aan de hand van daarbuiten gelegen ontwikkelingen. De Hoge Raad overweegt nog dat in dit verband van belang kan zijn dat de rechtbank in de art. 50-procedure al voor een bedrag van € 700.000,– rekening heeft gehouden met de kans dat het bouwverbod zou worden opgeheven. Ook heeft de rechtbank bij de bepaling van de waarde vóór de oplegging van het bouwverbod al een aftrek toegepast in verband met de kans dat een bouwverbod zou worden opgelegd. Het ligt daarom voor de hand om bij de beoordeling van de art. 55-vordering rekening te houden met enige verwachtingswaarde ten gunste van Chipshol, aldus de Hoge Raad. Een en ander illustreert dat de art. 50-vordering en de art. 55-vordering niet geïsoleerd maar in relatie tot elkaar moeten worden beoordeeld.

De Hoge Raad vernietigt en wijst het geding terug naar het hof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing in het principale cassatieberoep, en verwerpt het incidentele cassatieberoep.

email print