Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in onze Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Uitleg van de opzetclausule in de AVP-verzekering

CB 2018-88 Geplaatst op 24 mei 2018 door

HR 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:601 (Reaal/Verweerders)

Voor toepassing van de ‘nieuwe opzetclausule’ in de AVP-verzekering is uitgangspunt dat sprake moet zijn van een opzettelijke en wederrechtelijke gedraging van de verzekerde die objectief bezien gericht is op het doen ontstaan van letsel of zaakschade, en waarbij het in feite toegebrachte letsel of de zaakschade naar objectieve maatstaven als een te verwachten of normaal gevolg van de desbetreffende gedraging kan worden aangemerkt. Mede gelet op de functie van de AVP-verzekering in het maatschappelijk verkeer kan er echter grond zijn om bij een schadevoorval dat op zichzelf aan de vereisten van de opzetclausule voldoet, te oordelen dat deze clausule gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval toch niet van toepassing is.

Voorgeschiedenis: de opzetclausule in de AVP-polis

Art. 7:952 BW bepaalt dat de verzekeraar geen schade vergoedt aan de verzekerde die de schade “met opzet of door roekeloosheid” heeft veroorzaakt. In de praktijk wordt deze uitsluiting van dekking in gevallen van (kort gezegd) opzet van de verzekerde veelal in de polisvoorwaarden van de verzekerden nader ingevuld (hetgeen ook mogelijk is omdat art. 7:952 BW een bepaling van regelend recht vormt).

Bij de aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren (AVP) zijn in de loop der jaren verschillende varianten van deze ‘opzetclausule’ gebruikt. De formulering van de clausule is enkele malen aangepast naar aanleiding van ontwikkelingen in de rechtspraak (zie HR 30 mei 1975, ECLI:NL:PHR:1975:AC5594, NJ 1976/572 (Bierglas) over de eerste versie van de opzetclausule en HR 6 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2771, NJ 1999/220 (Aegon/Van der Linden) over de tweede versie).

Deze zaak betreft de derde versie van de opzetclausule (hierna: de nieuwe opzetclausule). Deze clausule is opgenomen in het Standaardpolismodel AVP 2000 en luidt als volgt:

“Niet gedekt is de aansprakelijkheid van een verzekerde voor schade veroorzaakt door en/of voortvloeiende uit zijn/haar opzettelijk en tegen een persoon of zaak gericht wederrechtelijk handelen of nalaten.”

Het Verbond van Verzekeraars heeft deze nieuwe opzetclausule voorzien van een (uitvoerige) toelichting. Daarin is onder meer opgemerkt dat het de bedoeling van verzekeraars is om het opzet te koppelen aan de gedraging (en niet meer, zoals in de voordien gebruikte opzetclausule, aan het gevolg van die gedraging ofwel de schade):

“Koppeling opzet aan de gedraging

Als gezegd beoogt deze clausule zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de oorspronkelijke bedoeling van verzekeraars. Toegegeven zij dat dat geen eenvoudige opgave is, omdat bedoeld wordt een aantal, maar zeker niet alle, strafrechtelijke delicten civielrechtelijk buiten de dekking van de aansprakelijkheidsverzekering te brengen.

Het belangrijkste aspect in de nieuwe clausule is de koppeling van het opzet aan de gedraging zelf en niet meer aan het gevolg van de gedraging. Het opzettelijk karakter van een gedraging moet uit de gedraging zelf afgeleid worden.

De fietser die met opzet door het rode licht rijdt en vervolgens een voetganger verwondt, kan niet met een beroep op de opzetclausule worden geconfronteerd. In het voorbeeld is het opzet van de fietser gericht op het door rood licht rijden en niet op het verwonden van de voetganger.”

De feiten in deze zaak

In deze zaak gaat het om een vader die zijn vijf maanden oude baby meermalen met kracht door elkaar heeft geschud. Dit heeft geleid tot het zogeheten ‘shaken baby syndroom’ en tot blijvend letsel bij de baby. De vader is hiervoor strafrechtelijk vervolgd. De strafrechter heeft de vader veroordeeld wegens het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door schuld (art. 308 Sr).

De centrale vraag in de procedure is of deze gedraging van de vader valt onder de nieuwe opzetclausule in zijn AVP-polis. Een bevestigende beantwoording van die vraag zou betekenen dat de aansprakelijkheidsverzekering van de vader geen dekking biedt voor de schade die de baby heeft geleden en nog zal lijden. Voor die schade kan uiteraard wel de vader zelf worden aangesproken, maar gelet op de te verwachten omvang zal dan vermoedelijk een (groot) deel van de schade onvergoed blijven.

Dit illustreert meteen het dilemma waarvoor de rechters zich in een zaak als deze geplaatst zien, en dat ook tot uitdrukking komt in de uitspraak van de Hoge Raad.

Uitleg van de nieuwe opzetclausule door de Hoge Raad

De uitleg van contractuele bepalingen geldt in cassatie als een kwestie die in beginsel aan de feitenrechter is. In deze zaak echter gaat de Hoge Raad zelf uitvoerig in op de uitleg die aan de nieuwe opzetclausule moet worden gegeven. Hij betrekt daarbij met name de toelichting van het Verbond van Verzekeraars op de clausule. Daaruit leidt de Hoge Raad af dat volgens de tekst van de nieuwe opzetclausule inderdaad – zoals Reaal ook in deze procedure heeft betoogd – het opzet van de verzekerde gericht moet zijn op de gedraging zelf, en niet op het daardoor teweeggebrachte gevolg. Uit de voorbeelden die in de toelichting zijn gegeven leidt de Hoge Raad echter ook af dat “niet steeds een scherp onderscheid gemaakt kan worden tussen opzet gericht op de gedraging en opzet gericht op het gevolg.

Met het oog op een zo eenduidig mogelijke uitleg en toepassing van de opzetclausule acht de Hoge Raad het wenselijk om een objectieve invulling van de clausule tot uitgangspunt te nemen. Vervolgens moet bij de toepassing van de clausule in het concrete geval echter ook rekening worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van dat geval.

Invulling van de nieuwe opzetclausule naar objectieve maatstaven…

De vraag of een opzettelijke gedraging van een verzekerde gericht is op het doen ontstaan van letsel of zaakschade, moet dus primair naar objectieve maatstaven worden beoordeeld aan de hand van de aard van de gedraging in het licht van de omstandigheden waaronder deze is verricht. Dit brengt, aldus de Hoge Raad, mee dat:

“ook letsel of zaakschade van een soort of ernst waarop het opzet van de verzekerde niet (subjectief) gericht was, onder de uitsluiting van de opzetclausule kan vallen. Dat is het geval indien, gelet op de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze werd verricht, het in feite toegebrachte letsel of de zaakschade naar objectieve maatstaven als een te verwachten of normaal gevolg van de desbetreffende gedraging kan worden aangemerkt. In zodanig geval moet aangenomen worden dat de gedraging van de verzekerde gericht was op het doen ontstaan van het in feite toegebrachte letsel of de zaakschade, ook al was deze soort of ernst van letsel of zaakschade niet door hem beoogd.”

Voor toepassing van de nieuwe opzetclausule bij een schadevoorval is dus uitgangspunt dat sprake moet zijn van een opzettelijke en wederrechtelijke gedraging van de verzekerde die objectief bezien gericht is op het doen ontstaan van letsel of zaakschade, en waarbij het in feite toegebrachte letsel of de zaakschade naar objectieve maatstaven als een te verwachten of normaal gevolg van de desbetreffende gedraging kan worden aangemerkt.

… met ‘ruimte voor maatwerk’ in het concrete geval

Maar daarmee is nog niet alles gezegd. In sommige gevallen kan er namelijk volgens de Hoge Raad aanleiding bestaan om bij een schadevoorval dat op zichzelf onder het bereik van de (naar objectieve maatstaven uitgelegde) opzetclausule valt, toch te oordelen dat die clausule vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval naar haar strekking niet van toepassing is. Hierbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder:

“de aard van de onrechtmatige gedraging van de verzekerde, de omstandigheden waaronder deze is verricht, de mate waarin de verzekerde een verwijt van zijn gedraging gemaakt kan worden of andere subjectieve omstandigheden aan diens zijde, en de aard en de ernst van de schadelijke gevolgen, een en ander bezien in het licht van de strekking en maatschappelijke betekenis van de AVP.”

Afdoening van de zaak door de Hoge Raad

Wat betekent nu voor deze zaak? De Hoge Raad stelt in de eerste plaats vast dat de (motiverings)klachten van Reaal tegen de uitleg die het hof aan de nieuwe opzetclausule had gegeven, op zichzelf gegrond zijn. De Hoge Raad onderschrijft het uitgangspunt van de klachten dat voor toepassing van de nieuwe opzetclausule niet is vereist dat het (subjectief) opzet van de verzekerde ook gericht is geweest op de gevolgen van zijn gedraging. Ook opzettelijke gedragingen die – in strafrechtelijke zin – een schulddelict opleveren kunnen daarom in beginsel onder de uitsluiting van de opzetclausule vallen. Voor toepasselijkheid van de clausule is verder niet vereist dat het opzet van de verzekerde tevens betrekking had op het wederrechtelijk karakter van zijn gedraging.

De Hoge Raad heeft echter ook oog voor de bijzondere aard van dit geval. Dit brengt hem ertoe om zelf in de feitelijke beoordeling van de zaak te treden en de zaak in cassatie zelf af te doen. Weging van de bijzondere omstandigheden van dit geval leidt tot het oordeel dat hier op zichzelf sprake is van een opzettelijke gedraging (het door elkaar schudden van de baby), die was gericht tegen een persoon en naar objectieve maatstaven als een te verwachten gevolg hersenletsel kan meebrengen, dus: objectief bezien gericht was op het toebrengen van dit letsel.

Daar staat echter tegenover dat de vader, volgens de feitelijke vaststellingen van het hof, alleen de intentie had om het huilen van de baby te stoppen en het onoorbare van zijn gedraging niet besefte. Deze subjectieve omstandigheid aan de zijde van de vader kan, zo overweegt de Hoge Raad, bijdragen aan het oordeel dat toepassing van de opzetclausule in dit geval niet tot een redelijk en maatschappelijk aanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij komt dan nog de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van de vader, zoals gebleken in de strafzaak. Mede gelet op de maatschappelijke functie van de AVP (dader- en slachtofferbescherming) brengen deze omstandigheden de Hoge Raad tot de slotsom dat de opzetclausule in dit bijzondere geval buiten toepassing moet blijven.

Reaal is in deze procedure in cassatie bijgestaan door Karlijn Teuben en Irina Timp en in feitelijke instanties door Peter Knijp en Kathelijne Baetsen.

email print