Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

Zorgvuldigheid grondroerder bij graafwerkzaamheden

CB 2018-101 Geplaatst op 14 juni 2018 door

HR 25 mei 2018 ECLI:NL:HR:2018:772

(i) Weliswaar legt artikel 5 lid 2 BION op de netbeheerder de verplichting gegevens over de horizontale ligging van kabels en leidingen te baseren op metingen met een nauwkeurigheid van ten minste één meter, maar, in het bijzonder gelet op de doelstelling van de WION om gevallen van schade aan kabels en leidingen te verminderen, mag de grondroerder er niet zonder meer op vertrouwen dat de aan hem op basis van deze informatieplicht aan de grondroerder verstrekte tekening aan deze eis voldoet. Wel kan onnauwkeurigheid van de door de netbeheerder verstrekte gegevens aanleiding zijn voor het aannemen van eigen schuld van de netbeheerder.

(ii) Bij de aansprakelijkheid voor graafschade aan kabels en leidingen gaat het uiteindelijk om een afweging waarbij onder meer de bezwaarlijkheid van door de grondroerder en door de netbeheerder te nemen voorzorgsmaatregelen moet worden bezien, ook in hun onderlinge verhouding, en waarbij deze moet worden afgezet tegen de mogelijke gevolgen van het beschadigen van kabels of leidingen. Bij gebreke van concrete wettelijke normering, komt bij die afweging, en daarmee bij de invulling van de maatschappelijke zorgvuldigheid, groot gewicht toe aan de Richtlijn Zorgvuldig Graafproces. De rechter dient bij de invulling van de zorgplicht daarbij aan te sluiten. Indien hij een afwijkende invulling wil geven, dient hij dit te motiveren.

In dit geschil gaat het om de schade die een grondroerder (aannemer) heeft toegebracht aan een middenspanningskabel waarvan Liander de netbeheerder is. Tijdens het plaatsen van een nieuwe damwand is de kabel beschadigd. Doordat er bij graafwerkzaamheden vaker schade optreedt, is een grondroerder ingevolge de in 2008 ingevoerde “grondroerdersregeling” verplicht melding te doen van het geplande graven. Het is vervolgens aan de netbeheerder om informatie te verstrekken over de ligging van de kabels. In deze zaak dateerde de verstrekte tekening uit 1956/1957. De grondroerder heeft voorafgaand aan het graven twee proefsleuven gegraven om te testen – binnen een straal van een meter – of de kabel daadwerkelijk zo liep zoals op de tekening was ingetekend. De kabel bleek echter na de tweede proefsleuf, anders dan op de tekening, af te buigen, onder de oude damwand door naar de waterzijde en weer terug naar de straatzijde. De schade is ontstaan aan de waterzijde van de oude damwand. Het gaat in dit geschil, kort gezegd, om de vraag of de grondroerder zorgvuldig genoeg heeft gehandeld. Daarvoor is allereerst van belang de relevante wetgeving te schetsen. Dat doet de Hoge Raad ook bij aanvang van het arrest in r.o. 3.4.1-3.4.5.

Wetgeving kabel- en leidingschade

Doordat er bij graafwerkzaamheden regelmatig schade wordt veroorzaakt aan kabels en leidingen, is er vanaf 2008 wetgeving tot stand gebracht. In de Wet Informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION), het Besluit informatie-wisseling ondergrondse netten (BION) en de Regeling informatie-uitwisseling ondergrondse netten (RION) – tezamen “ De Grondroerdersregeling” –  is de informatieplicht van de netbeheerder aanzienlijk  verzwaard. De netbeheerder heeft een informatieplicht jegens de grondroerder (degene die verantwoordelijk is voor de graafwerkzaamheden) en moet aan de grondroerder binnen een werkdag na de graafmelding de relevante gegevens verstrekken, waaronder een tekening van de situatie ter plaatse. Ingevolge art. 5 lid 2 van de BION moeten de gegevens betrekking hebben op de horizontale ligging en moeten ze gebaseerd zijn op de meest nauwkeurige metingen die voor de beheerder beschikbaar zijn, met dien verstande dat de metingen ten minste een nauwkeurigheid van een meter hebben.  De grondroerder moet ingevolge art. 2 lid 2 WION zijn werkzaamheden op zorgvuldige wijze verrichten. Hij moet een graafmelding doen, onderzoek verrichten naar de precieze ligging van de onderdelen van de netten op de graaflocatie en op de graaflocatie moet de gebiedsinformatie aanwezig zijn.

Uit de toelichting van de WION blijkt dat de algemene zorgvuldigheidsverplichting van art. 2 lid 2 WION door de sector zelf moet worden uitgewerkt. De sector heeft daarom de Richtlijn zorgvuldig graafproces, hierna: de Richtlijn. Deze Richtlijn is door de sector opgesteld teneinde de wettelijke plicht tot zorgvuldig graven nader te concretiseren. De grondroerder moet vóór aanvang van de werkzaamheden onderzoek verrichten naar de precieze ligging van kabels en leidingen door ter plaatse proefsleuven te graven. Voor deze zaak van belang is dat de Richtlijn voorschrijft dat bij wijzigingen in de (terrein)situatie extra oplettendheid vereist is. Volgens de Richtlijn moeten proefsleuven worden gegraven als zich volgens de tekening binnen 1,5 meter aan weerszijden van het graafprofiel kabels of leidingen zouden bevinden.

Oordeel hof

Het hof Amsterdam oordeelde dat de grondroerder niet verwijtbaar onzorgvuldig heeft gehandeld.. De grondroerder heeft volgens het hof aan de minimumvereisten wat betreft de zorgplicht uit de WION voldaan. Zij heeft een graafmelding gedaan en twee proefsleuven op een afstand van 75 cm van elkaar gegraven, alvorens over te gaan tot het slaan van een nieuwe damwand. Het hof nam daarbij in aanmerking dat ingevolge art. 5 lid 2 BION van de netbeheerder, Liander, mag worden verwacht dat de tekeningen op een meter nauwkeurig zijn, hetgeen in casu niet het geval is. Weliswaar wordt in de Richtlijn Zorgvuldig Graafproces (CROW 250) geadviseerd om bij het slaan van damwanden kabels te lokaliseren die volgens de tekening in een gebied van 1,5 meter liggen, maar volgens het hof is dit (slechts) een “best-practice-regel” en  gaat het te ver om daaruit af te leiden dat algemeen bekend is (zoals Liander heeft gesteld) dat de wettelijk  vereiste nauwkeurigheid van een meter (art. 5 lid 2 BION) niet haalbaar zou zijn  en dat daaruit zou volgen dat het niet opvolgen van bedoeld advies zonder meer onzorgvuldig is. Het hof oordeelde  vervolgens op basis van een weging van  alle omstandigheden van het geval dat de grondroerder niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Volgens het hof waren er zoveel omstandigheden die erop wezen dat de kabel liep zoals op de tekening stond ingetekend, dat de grondroerder van de juistheid daarvan uit mocht gaan.

Cassatie

De vraag die voorligt in cassatie is of de grondroerder mocht volstaan met het graven van de bewuste proefsleuven, of dat zij meer inspanningen had moeten verrichten om het verloop van de kabel te bepalen. Volgens Liander, eiser in cassatie, volgt uit het BION en de Richtlijn dat op een grondroerder de resultaatsverplichting rust kabels en leidingen binnen een afstand van 1,50 meter geheel te lokaliseren. Deze kwesties zijn niet alleen van belang voor deze zaak, maar betreffen ook de zorgplicht ter voorkoming van graafschade in het algemeen (r.o. 3.5 HR).

BION

Zoals hiervoor reeds aangestipt, mocht de grondroerder naar het oordeel van het hof   op de voet van art. 5 lid 2 BION verwachten dat de aan hem aangeleverde tekening tot op een meter nauwkeurig is, ook al zal de beheerder (zeker bij gedateerde tekeningen) praktisch gezien niet toe in staat zijn, zoals Liander had gesteld. Bij dit oordeel nam het hof, bij wijze van een overweging ten overvloede, in aanmerking dat de wetgever met invoering van de WION en BION heeft beoogd om de aansprakelijkheid van grondroerders te verlichten.

In cassatie wordt tegen dit oordeel opgekomen. Volgens Liander zou het hof een onjuiste betekenis hebben toegekend aan art. 5 lid 2 BION. Tot diezelfde conclusie komt de Hoge Raad. Art. 5 lid 2 BION legt een informatieverplichting op de netbeheerder, maar de grondroerder mag daar – in het bijzonder gelet op de doelstelling van de WION om de schade aan kabels en leidingen te verminderen – niet zonder meer  op vertrouwen. Of het vertrouwen gerechtvaardigd is hangt af van de omstandigheden van het geval. Zo kan de werkelijke ligging van de kabel  door tal van oorzaken van de tekening afwijken (r.o. 3.6.2), tevens in het licht van hetgeen de Richtlijn daarover bepaalt. De Hoge Raad acht voor de onderhavige casus van belang dat de kabel al in 1956/1957 is gelegd en dat er nadien werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Daar heeft het hof ook acht op geslagen. Het hof overwoog zelf dat de netbeheerder praktisch niet in staat zal zijn de nauwkeurigheid te bieden die wordt verwacht op grond van de BION. Het hof had gelet op die overweging niet tot uitgangspunt mogen nemen dat de grondroerder op de kaart mocht vertrouwen, aldus de Hoge Raad. Dit alles laat onverlet, zo benadrukt de Hoge Raad, dat op de netbeheerder de verplichting rust zo nauwkeurig als redelijkerwijs van hem kan worden verlangd informatie over de ligging van het net te verstrekken. Bij een schending daarvan kan dit leiden tot eigen schuld van de netbeheerder (r.o. 3.6.2. in fine).

Uitleg richtlijn

Het hof had daarnaast geoordeeld dat het hiervoor genoemde advies uit de Richtlijn , om kabels te lokaliseren in een gebied van 1,50 meter, slechts als “best-practice” had te gelden. Daarmee heeft het hof onvoldoende betekenis toegekend aan de Richtlijn, aldus de Hoge Raad (3.7.2):

3.7.2 […] Het gaat bij de aansprakelijkheid voor graafschade aan kabels en leidingen uiteindelijk om een afweging waarbij onder meer de bezwaarlijkheid van door de grondroerder en door de netbeheerder te nemen voorzorgsmaatregelen moet worden bezien, ook in hun onderlinge verhouding, en waarbij deze moet worden afgezet tegen de mogelijke gevolgen van het beschadigen van kabels of leidingen. Bij gebreke van concrete wettelijke normering, komt bij die afweging, en daarmee bij de invulling van de maatschappelijke zorgvuldigheid, groot gewicht toe aan de Richtlijn, die, zoals het hof heeft overwogen, is vastgesteld door een breed samengesteld, technisch geschoold gezelschap waarin zowel opdrachtgevers, (grotere) grondroerders als beheerders vertegenwoordigd waren. Aldus vormt de Richtlijn immers de weerslag van de binnen de beroepsgroep geldende opvattingen omtrent zorgvuldig handelen. Ook bij de totstandkoming van de WION is gewezen op het belang van door de sector te maken afspraken (zie hiervoor in 3.4.4). Bovendien is het voor de graafpraktijk van belang dat duidelijkheid bestaat over de wijze waarop de bij graafwerkzaamheden betrokkenen hun zorgplicht moeten naleven. De rechter dient daarom bij de invulling van de zorgplicht in beginsel aan te sluiten bij de Richtlijn. Indien hij een daarvan afwijkende invulling van de zorgplicht wil geven, dient hij te motiveren welke omstandigheden rechtvaardigen dat in het concrete geval van de Richtlijn mocht worden afgeweken. Aan deze eis voldoet het oordeel van het hof niet, zoals hierna zal worden overwogen.”

Uit een en ander kan worden afgeleid dat grondroerders hun handelen, behalve op de WION en BION, ook op de Richtlijn dienen af te stemmen.

De Hoge Raad heeft het arrest vernietigd en ter verdere behandeling doorverwezen naar het Hof Den Haag.

De grondroerder  werd in deze zaak bijgestaan door Hans van Wijk.

email print