Selecteer een pagina

HR 16 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:596

In deze zaak herhaalt de Hoge Raad de maatstaf die geldt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden voor een ontslag op staande voet. Het hof heeft die maatstaf miskend, door een voor de beoordeling van aard en ernst van de dringende reden relevante omstandigheid niet bij zijn beslissing te betrekken.

Achtergrond

Een (arbeidsongeschikte) werknemer vraagt aan zijn werkgever of hij vier weken verlof mag. De werkgever weigert dit en staat een verlof van twee weken toe. Wanneer de werkgever constateert dat de werknemer daags na het toegestane verlof niet op zijn thuisadres aanwezig is, volgt een ontslag op staande voet.

Rechtbank en hof wijzen het verzoek van de werknemer om vernietiging van het ontslag op staande voet af. In cassatie voert de werknemer aan dat het hof ten onrechte niet heeft beoordeeld of de werkgever de door de werknemer verzochte vier weken vakantie wel had mogen weigeren.

Dringende reden voor het ontslag op staande voet

Ingevolge art. 7:678 lid 1 BW worden voor de werkgever als dringende redenen voor de onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst (ontslag op staande voet) beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van een werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moeten bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende reden sprake is, de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking genomen worden.

Daarbij behoren in de eerste plaats in de beschouwing te worden betrokken de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zouden hebben.

Volgens A-G de Bock mocht het hof niet in het midden laten of de werkgever al dan niet terecht heeft geweigerd in te stemmen met het vakantieverzoek van de werknemer. Dit is immers, zo vervolgt de A-G, een omstandigheid die relevant is voor het beoordelen van de ernst van de gedragingen die aan de werknemer worden verweten: als de werkgever het gevraagde verlof van vier weken niet had mogen weigeren, kan dat betekenen dat sprake is geweest van een onredelijke opdracht van de werkgever. Dat kan het verwijt dat de werknemer wordt gemaakt in een ander licht doen staan, aldus de A-G. De Hoge Raad oordeelt hiermee in lijn:

“Het hof is bij zijn oordeel dat de werknemer op 20 augustus 2018 op zijn thuisadres althans in de nabijheid daarvan had moeten zijn, voorbijgegaan aan de stelling van de werknemer dat [verweerster] de verlofaanvraag niet had mogen weigeren en heeft in het midden gelaten of dit het geval was. Aldus heeft het hof miskend dat het antwoord op de vraag of [verweerster] het verlof had mogen weigeren, relevant is voor de beoordeling van de aard en de ernst van de afwezigheid van de werknemer op 20 augustus 2018, en heeft het verzuimd deze omstandigheid te betrekken in zijn oordeelsvorming of sprake is van een dringende reden. De daarop gerichte klacht slaagt.”

Volgt vernietiging en verwijzing.

Share This