HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241

1. De executeur en afwikkelingsbewindvoerder van een nalatenschap heeft, in verband met zijn positie bij de afwikkeling van de nalatenschap, een voldoende belang bij voeging in een procedure waarin de vraag speelt welk recht op die afwikkeling van toepassing is.
2. Het woord “afwikkeling” in het kader van een nalatenschap heeft geen specifieke juridische betekenis. Die aanduiding dient ertoe de feitelijke afhandeling van een nalatenschap aan te duiden. Daaronder kon, in het onderhavige geval, zonder schending van enige rechtsregel ook de “verdeling” worden begrepen.

Feiten

Eisers en verweerder zijn respectievelijk broers en zus van elkaar. Zij zijn de kinderen van hun in 2003 in Zwitserland overleden vader. In zijn testament zijn zij gezamenlijk en voor gelijke delen aangewezen als erfgenamen. In datzelfde testament is bepaald dat op de vererving van de nalatenschap het Nederlandse recht van toepassing zal zijn en bovendien wordt daarin X, die in de cassatieprocedure tweede verweerder is, als executeur en bewindvoerder benoemd. De erfgenamen hebben de nalatenschap van hun vader zuiver aanvaard. X is in zijn hoedanigheid van executeur en afwikkelingsbewindvoerder bevoegd de nalatenschap te beheren. Voorts zijn de gezamenlijke erfgenamen tezamen met X bevoegd tot andere handelingen dan beheer ten aanzien van de goederen van de nalatenschap totdat de bevoegdheid tot beheer van X is geëindigd.

De nalatenschap omvatte onder meer een aanzienlijke vastgoedportefeuille in de regio Amsterdam. Vanwege een nijpend liquiditeitstekort van de te vereffenen nalatenschap heeft X medio 2005 aangekondigd dat hij gedeelten van het onroerend goed wilde laten veilen. Het kort geding dat de broers vervolgens tegen X en de zus aanspanden, heeft geleid tot een vaststellingsovereenkomst, waarvan deel uitmaakte dat X een overeenkomst van geldlening zou sluiten bij een bank en voorts hoe het daaruit op te nemen bedrag (€ 135.000) zou worden aangewend. De veiling zou geen doorgang vinden.

De procedure

In de procedure die tot dit arrest geleid heeft, heeft de zus de broers en X in rechte betrokken. In deze procedure zijn tussen hen over en weer verschillende vorderingen ingesteld met betrekking tot de afhandeling van de nalatenschap.

De rechtbank heeft een tussenvonnis gewezen en tussentijds hoger beroep opengesteld, waarvan de broers gebruik hebben gemaakt door (uitsluitend) tegen de zus hoger beroep in te stellen. X heeft gevorderd te worden toegelaten als gevoegde partij aan de zijde van de zus. Het hof heeft daarvoor in zijn eerste arrest toestemming gegeven.

In zijn tweede arrest heeft het hof de vordering van de broers dat de afwikkeling van de nalatenschap beheerst zou worden door Zwitsers recht, verworpen. De geldlening die is aangegaan op grond van de vaststellingsovereenkomst kan volgens het hof worden aangemerkt als ‘kosten van vereffening’ en derhalve als schuld van de nalatenschap. In zijn derde arrest heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd, het meer en anders gevorderde afgewezen en de zaak voor verdere afhandeling teruggewezen naar de rechtbank.

Ontvankelijkheid

De Hoge Raad buigt zich eerst over de ontvankelijkheid van het beroep, nu de bestreden arresten van het hof mogelijk (zuivere) tussenarresten zijn en niet uit de gedingstukken blijkt dat tussentijds verlof tot cassatie is verleend. De Hoge Raad zet nog eens duidelijk uiteen wanneer sprake is van een einduitspraak:

“Indien in een uitspraak, door een uitdrukkelijk dictum, omtrent enig deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt aan de instantie, dan is in zoverre sprake van een einduitspraak. De appel- of cassatietermijn tegen dat gedeelte van de uitspraak neemt terstond een aanvang. Indien een partij tegen dat deel van de uitspraak wenst op te komen, mag deze daarom niet wachten tot de einduitspraak, maar moet hij aanstonds beroep instellen. In een dergelijk geval brengen de beginselen van een goede procesorde (waaronder het concentratiebeginsel) mee dat ook klachten kunnen worden gericht tegen het gedeelte van de uitspraak dat geen einduitspraak behelst, mits het gaat om een beslissing tussen dezelfde partijen en niet uitsluitend klachten worden gericht tegen de gedeelten die geen einduitspraak inhouden (…).”

De Hoge Raad constateert dat het hof in het dictum van zijn derde arrest, na het vonnis van de rechtbank te hebben bekrachtigd, “al het meer of anders gevorderde” heeft afgewezen, waarmee het kennelijk heeft gedoeld op de verklaringen voor recht omtrent de kredietschuld die de broers bij eiswijziging hebben gevorderd. De Hoge Raad overweegt:

“Nu de hiervoor bedoelde wijziging van eis ertoe strekte dat het hof voor recht zou verklaren dat deze kredietschuld juist niet een schuld van de nalatenschap betrof, ligt in de klachten van middel 4 in voldoende mate besloten dat ook de afwijzing door het hof van “al het meer of anders gevorderde” door het middel wordt bestreden. Derhalve zijn de broers ontvankelijk in hun beroep.”

Rol executeur en afwikkelingsbewindvoerder

In de eerste twee middelen komen zij op tegen ’s hofs oordeel om X toe te laten als gevoegde partij, nu hij daarvoor onvoldoende belang zou hebben omdat hij geen benadeling of verlies van een recht zou ondervinden. De Hoge Raad oordeelt echter dat het oordeel van het hof geen blijk geeft van een miskenning van de maatstaf van art. 217 Rv, nu X, vanwege zijn positie bij de afwikkeling van de nalatenschap, een voldoende belang tot voeging heeft in verband met het antwoord op de vraag welk recht op die afwikkeling van toepassing is. Daarbij betrekt de Hoge Raad de hoedanigheid van X als executeur en afwikkelingsbewindvoerder en het feit dat hij partij was in de procedure bij de rechtbank.

In hun derde middel komen de broers op tegen ’s hofs overweging dat Nederlands recht van toepassing is op de afwikkeling van de nalatenschap, waaronder de verdeling daarvan, en op de taken en bevoegdheden van de executeur en afwikkelingsbewindvoerder. Ten onrechte zou het hof volgens de broers bepaald hebben dat de verdeling van de nalatenschap onder de afwikkeling daarvan zou vallen. De taken van X zouden zich uitsluitend mogen uitstrekken tot de afwikkeling van de nalatenschap en niet tot de verdeling daarvan. Met deze benadering maakt de Hoge Raad korte metten:

“Deze klachten falen. Het woord “afwikkeling” heeft geen specifieke juridische betekenis, doch dient ertoe de feitelijke afhandeling van een nalatenschap aan te duiden. Het hof kon in dit geval zonder schending van enige rechtsregel de verdeling daaronder begrijpen.”

Ook de overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden en worden verworpen met toepassing van art. 81 RO.

Share This