HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8746

De in art. 3:185 lid 2 BW voorkomende opsomming van wijzen van verdeling is niet uitputtend. Een door de rechter op grond van die bepaling bepaalde wijze van verdeling kan, gelet op de aard van de rechtsverhouding tussen de deelgenoten (in casu: een met economische eigendom vergelijkbare rechtsverhouding) en de redelijkheid en billijkheid (art. 3:166 lid 3 BW) strekken tot overbedeling zonder vergoeding van de overwaarde.

Casus

Het echtpaar Y c.s. koopt begin 1991 een woonhuis met omliggende grond op Texel. Als de onroerende zaak wordt geleverd treedt X, destijds bevriend met het echtpaar, op als mede-koper. Op grond van de leveringsakte komt X de helft van de eigendom toe.

Na verloop van tijd wensen Y c.s. de onroerende zaak te verdelen. Omdat partijen het niet eens worden over de wijze van verdeling, vorderen Y c.s. verdeling bij de rechter op de voet van art. 3:185 BW en wel aldus dat de onroerende zaak in zijn geheel aan hen wordt toebedeeld zonder dat daar – zoals gebruikelijk en op de voet van art. 3:185 lid 2 sub b BW – een vergoeding wegens overbedeling tegenover staat. Volgens Y c.s. was het feit dat de onroerende zaak mede aan X werd geleverd gebaseerd op een vriendendienst, aangezien op het perceel een agrarische bestemming rustte en Y c.s. geen agrariër zijn, zulks in tegenstelling tot X.

X heeft zich daarentegen op het standpunt gesteld, dat partijen weliswaar bevriend waren, maar dit niet betekent dat daarom aan zijn goederenrechtelijke aanspraken op grond van de leveringsakte geen betekenis zou toekomen. X heeft daarbij gewezen op de aanzienlijke waarde die zijn medewerking aan de constructie van mede-eigendom vertegenwoordigt, alsmede dat hij gedurende de gehele periode van mede-eigendom persoonlijk borg heeft gestaan voor de door Y c.s. voor de aankoop van het woonhuis benodigde financiering. Tevens heeft X betoogd dat partijen zich tot medio 2005 ook feitelijk als mede-eigenaren hebben gedragen.

In eerste aanleg vonden Y c.s. geen gehoor, maar in hoger beroep wordt hun vordering tot verdeling alsnog toegewezen. Het hof heeft daarbij tot uitgangspunt genomen dat X volwaardig mede-eigenaar in goederenrechtelijke zin is geworden. Een andere vraag is echter, zo meende het hof, wat tussen partijen onderling te gelden heeft. Op grond van het door Y c.s. aangebrachte bewijs in eerste aanleg is het hof er vervolgens vanuit gegaan dat het niet de bedoeling van partijen is geweest dat X in hun onderlinge verhouding daadwerkelijk als mede-eigenaar van het woonhuis zou gelden.

Cassatie

In cassatie betoogde X onder meer dat ’s hofs wijze van verdeling in strijd is met art. 3:185 lid 2 sub b BW. Aldaar is immers bepaald dat als wijze van verdeling van een gemeenschappelijk goed in aanmerking komt “overbedeling van een of meer deelgenoten tegen vergoeding van de overwaarde”. X wees in dit verband tevens op een passage uit de parlementaire geschiedenis, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat overbedeling zonder vergoeding alleen mogelijk is indien partijen daartoe buiten rechte overeenstemming bereiken. Vgl. in dit verband Parl. Gesch. Boek 3 (MvA II), p. 619.

De Hoge Raad verwerpt de op dit betoog gebaseerde klacht.

Daartoe geeft het college allereerst een nadere uitleg aan de uitspraak van het hof. Volgens de Hoge Raad heeft het hof tot uitdrukking willen brengen dat X weliswaar in goederenrechtelijke zin voor de helft mede-eigenaar van het woonhuis was, maar dat, gelet op hetgeen tussen partijen was overeengekomen, Y c.s. in hun verhouding tot X in verbintenisrechtelijke zin als de enige rechthebbenden met betrekking tot het woonhuis golden. Aldus is ten aanzien van het aandeel van X in de gemeenschap van het woonhuis sprake van een rechtsverhouding, zo vervolgt de Hoge Raad, inhoudende dat X – op grond van de met Y c.s. overeengekomen aard van deze gemeenschap – gehouden is bij verdeling zijn aandeel in de gemeenschap van het woonhuis zonder vergoeding aan Y c.s. – als de enige ware rechthebbenden – over te dragen. Het college maakt hier een vergelijking met de figuur van economische eigendom.

Volgens de Hoge Raad is dit door het hof bereikte resultaat niet strijdig met het bepaalde in art. 3:185 lid 2 BW, omdat de daarin gegeven opsomming van wijzen van verdeling niet uitputtend is. Het college verwijst in dit verband tevens naar de redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen de deelgenoten in een gemeenschappelijk goed beheersen (art. 3:166 lid 3 BW). Zie rov. 3.5.

In cassatie betoogde X voorts dat, gegeven het uitgangspunt van het hof dat X wél volwaardig mede-eigenaar is geworden, ‘s hofs uitleg van de rechtsverhouding tussen partijen een afstand van recht zijdens X (d.w.z.: afstand door X van zijn goederenrechtelijke aanspraak) veronderstelt, maar dat gesteld noch gebleken is dat van een daartoe strekkende rechtshandeling (gemeten naar de daarvoor geldende, relatief zware eisen) in casu sprake is geweest. Ook de op dit betoog gebaseerde klacht verwerpt de Hoge Raad. In dit verband leest het college ’s hofs oordeel aldus dat de aldaar aangenomen (en door de Hoge Raad dus nader uitgelegde) rechtsverhouding van meet af aan tussen partijen heeft gegolden. Zie eveneens rov. 3.5.

X was in cassatie ook opgekomen tegen de door het hof gedane vaststellingen met betrekking tot de rechtsverhouding tussen partijen. Die klachten heeft de Hoge Raad echter zonder inhoudelijke motivering verworpen. Zie rov. 3.6.

X werd in cassatie bijgestaan door de auteur en in de feitelijke instanties door Xandra Wentink.

Share This