HR 10 augustus 2012, LJN BW5324

Voor verkrijgende verjaring ex art. 3:105 BW is slechts vereist dat de bezitter de zaak bezit op het moment waarop de verjaring van de vordering tot revindicatie wordt voltooid, ongeacht of deze bezitter te goeder trouw is. Bepalend is of gedurende de gehele verjaringstermijn van twintig jaar de toestand bestaat dat een ander dan de rechthebbende bezitter is. Niet van belang is of opvolging in het bezit heeft plaatsgevonden en dus ook niet of opvolgende bezitters te goeder trouw (in de zin van art. 3:102 BW) waren.

Achtergrond

Eisers zijn sinds 2007 eigenaar van perceel A. Verweerders zijn sinds 1999 eigenaar van het aangrenzende perceel B. Partijen strijden om de eigendom van een strook grond tussen de percelen. De strook grond valt binnen de kadastrale grenzen van perceel B, behorende aan verweerders, maar is sinds 1981 door rechtsvoorgangers van eisers in bezit genomen als tuin. Ook eisers hebben deze wijze van gebruik van de strook grond voortgezet.

Zij vorderen nu verklaring voor recht dat zij door verkrijgende verjaring de eigendom van de strook hebben verkregen. Eisers stellen in dat verband dat de strook sinds 1981 in bezit is van hun rechtsvoorgangers, zodat de verjaring van de vordering van verweerders tot revindicatie (art. 3:105 BW) in dat jaar is aangevangen. Die lopende verjaring is ook na hun inbezitname voortgezet en dus is de verjaringstermijn van 20 jaar (art. 3:306 BW) inmiddels voltooid.

Verweerders stellen daar tegenover dat eisers niet te goeder trouw waren op het moment dat zij (naast de eigendom van perceel A ook) het bezit van de strook grond naast hun perceel verkregen. Zij waren namelijk  op de hoogte van de kadastrale grenzen en dus ook van het feit dat die strook aan (de eigenaar van) perceel A toebehoorde. Het ontbreken van de goede trouw bij verweerders heeft, zo stellen verweerders, tot gevolg dat de (vanwege het bezit van de rechtsvoorgangers van eisers) reeds lopende verjaring wordt onderbroken, zodat hun vordering tot revindicatie nog niet is verjaard. Zij beroepen zich in dat verband op art. 3:102 lid 2 BW waarin is bepaald dat in geval van bezitsovername onder bijzondere titel een lopende verjaring slechts wordt voortgezet als de opvolgende bezitter te goeder trouw is. In reconventie vorderen verweerders daarom op hun beurt verklaring voor recht dat de strook grond hun eigendom is en dat de rechtbank eisers gelast de strook grond te ontuimen en vrij ter beschikking te stellen.

Bezit te kwader trouw

De centrale vraag is dus of betekenis toekomt aan het feit dat eisers niet te goeder trouw waren op het moment dat zij bezitter werden van de strook grond. Verhindert art. 3:102 lid 2 BW in dat geval dat de opvolgende bezitter kan profiteren van de door andere bezitters ingezette verjaring van de vordering tot revindicatie? De rechtbank beantwoordde die vraag ontkennend en oordeelde dat art. 3:102 lid 2 BW niet van toepassing is in het kader van een vordering tot revindicatie. Het hof was echter een andere mening toegedaan en besliste in het voordeel van verweerders.

Eisers stellen met succes cassatieberoep in, want de Hoge Raad oordeelt:

“3.4. (…) Ingevolge art. 3:105 kan ook de bezitter die niet te goeder trouw is de eigendom van een zaak verkrijgen. Hiervoor is, behoudens het in lid 2 bepaalde, slechts vereist dat hij de zaak bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid. Voor de voltooiing van de verjaring is nodig dat de toestand dat een ander dan de rechthebbende bezitter is, gedurende de gehele verjaringstermijn heeft voortgeduurd. Daarbij is niet van belang of opvolging in het bezit heeft plaatsgevonden, en dus evenmin of opvolgende bezitters te goeder trouw in de zin van art. 3:102 lid 2 waren.”

Kortom: in het kader van een vordering tot revindicatie is bepalend of gedurende een onafgebroken periode twintig jaar het bezit door een ander dan de eigenaar is uitgeoefend, onverschillig of de bezitter – waaronder dus ook te verstaan: de opvolgende bezitter(s) – het bezit te goeder trouw heeft verkregen.

Verkrijgende verjaring : cadeautje voor niet-rechthebbende of sanctie voor rechthebbende?

De verkrijgende verjaring ex art. 3:105 BW is een uiting van het door het instituut ‘verjaring’ gediende belang dat het recht (uiteindelijk) aansluiting vindt bij de situatie zoals die feitelijk (gegroeid) is. Ook art. 3:99 BW – waarop de regel van art. 3:102 lid 2 BW wél van toepassing is – dient dit belang, maar vanuit een andere invalshoek. Zoals A-G Rank-Berenschot ook opmerkt (par. 2.5 ev) ligt bij de verkrijgende verjaring ex art. 3:99 BW de nadruk op de positie van de niet-rechthebbende, die als het ware wordt gepromoveerd van bezitter tot eigenaar. Art. 3:102 lid 2 BW verhindert een dergelijke promotie voor diegene die het bezit (onder bijzondere titel en) te kwader trouw verkreeg.

Art. 3:105 BW benadert de verkrijgende verjaring uit een ander perspectief: de rechthebbende wordt gedegradeerd tot niet-rechthebbende. De Hoge Raad stelt buiten twijfel dat in deze context de eventuele kwade trouw bij degene die het bezit (en vervolgens door verkrijgende verjaring: de eigendom) verkreeg geen rol speelt, noch bij de eerste bezitter, noch bij opvolgende bezitters. Daarmee illustreert de uitspraak dat art. 3:105 BW vooral het karakter heeft van een sanctie op het stilzitten door de rechthebbende.

Share This