Selecteer een pagina

HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:349

De Hoge Raad oordeelt dat het fundamentele recht van het kind op het verkrijgen van informatie over de eigen biologische afstamming prevaleert boven de fundamentele rechten van de vermoedelijke biologische vader. Slechts onder uitzonderlijke omstandigheden kan daarvan worden afgeweken.

Achtergrond van de zaak

In deze procedure heeft een kind (geboren in 1968) gevorderd dat een man van wie hij vermoedt dat deze zijn biologische vader is, wordt veroordeeld om mee te werken aan het laten afnemen van DNA. De rechtbank heeft de vordering toegewezen, maar het hof heeft het vonnis vernietigd en de vordering alsnog afgewezen.

Het hof heeft daarbij, kort samengevat, overwogen dat voldoende aannemelijk is dat de man, die in 1967 gedurende enige tijd een relatie heeft gehad met de moeder van het kind, de verwekker van het kind kan zijn. Het hof heeft de belangen van het kind en van de man vervolgens tegen elkaar afgewogen en heeft uiteindelijk geoordeeld dat de belangen van de man in de omstandigheden van dit geval zwaarder moeten wegen.

Het kind stelt cassatieberoep in.

Botsing van fundamentele rechten

De Hoge Raad geeft eerst een overzicht van de grondrechtelijke belangen die bij de beoordeling van deze zaak een rol spelen.

Aan de zijde van het kind speelt het recht op informatie over de eigen (biologische) afstamming. Dat is een fundamenteel recht, dat wordt beschermd door internationale mensenrechtenverdragen (onder meer art. 8 EVRM). Onder verwijzing naar rechtspraak van het EHRM overweegt de Hoge Raad dat de mogelijkheid om dergelijke informatie te verkrijgen van belang is voor het vormen en ontwikkelen van een eigen identiteit en persoonlijkheid. Het belang bij bescherming van dit recht wordt niet minder, maar neemt veeleer toe naarmate een persoon ouder wordt (rov. 3.1.2).

Tegenover het recht op afstammingsinformatie staat het recht van de potentiële ouder om deze informatie verborgen te houden, alsmede het recht van een persoon om niet tegen zijn wil aan een DNA-test te worden onderworpen. Die rechten zijn eveneens fundamentele rechten die besloten liggen in het recht op bescherming van het privéleven en die als zodanig eveneens worden beschermd door art. 8 EVRM. Onder verwijzing naar rechtspraak van het EHRM overweegt de Hoge Raad dat door middel van een belangenafweging moet worden vastgesteld welk van deze rechten prevaleert, waarbij aan de lidstaten een margin of appreciation toekomt (rov. 3.1.3).

Het recht van het kind prevaleert

De Hoge Raad staat vervolgens stil bij zijn eigen Valkenhorst I-arrest (HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1337). In die zaak speelde DNA-onderzoek geen rol. Het kind had geen contact opgenomen met haar (vermoedelijke) vader, want het beschikte niet over informatie over zijn identiteit. Het kind wendde zich daarom tot de inrichting die haar ongehuwde moeder indertijd had opgevangen. De moeder had de identiteit van de vader aan de inrichting medegedeeld. Inzet van het geding was de vraag of de inrichting gehouden was om deze informatie, die zich nog in de archieven bevond, aan het kind moest verstrekken.

In het Valkenhorst I-arrest maakte de Hoge Raad een specifieke belangenafweging. Hij overwoog dat, enerzijds, een meerderjarig natuurlijk kind het recht heeft om te weten door wie het is verwekt, maar dat, anderzijds, de moeder van dit kind een in het recht op respect voor haar privéleven besloten recht heeft om deze informatie ook tegenover haar kind verborgen te houden. De Hoge Raad oordeelde dat het recht van het kind in een dergelijk geval prevaleert. Behalve door het vitaal belang van dit recht voor het kind wordt deze voorrang volgens de Hoge Raad daardoor gewettigd dat de natuurlijke moeder in de regel mede verantwoordelijkheid draagt voor het bestaan van dat kind.

In het arrest dat in deze blog wordt besproken, trekt de Hoge Raad deze Valkenhorst I-lijn door. Volgens hem doet de hiervóór genoemde overweging (over de verantwoordelijkheid voor het bestaan van het kind) evenzeer opgeld in de verhouding tussen een kind en een persoon van wie aannemelijk is dat hij de biologische vader van het kind kan zijn. Daarom heeft ook in die verhouding te gelden dat het recht van het kind op het verkrijgen van informatie over de eigen biologische afstamming voorgaat, ook indien deze informatie moet worden verkregen door middel van een bij de vermoedelijke biologische vader af te nemen DNA-test. Volgens de Hoge Raad wordt de – relatief geringe – inbreuk van een DNA-onderzoek op de lichamelijke integriteit van de vermoedelijke biologische vader in een zodanig geval gerechtvaardigd door het zwaarwegende belang van het kind om te weten wie zijn biologische vader is (rov. 3.1.4).

Vernietiging en verwijzing

Tegen deze achtergrond oordeelt de Hoge Raad, kort samengevat, dat het hof op ontoereikende gronden is afgeweken van het uitgangspunt dat het belang van het kind prevaleert boven dat van de vermoedelijke biologische vader. Het hof heeft verder miskend dat de omstandigheid dat medewerking aan het verkrijgen van door het kind verlangde zekerheid over het biologisch vaderschap voor de vermoedelijke biologische vader belastend is en een aantasting van diens welbevinden en gezondheid oplevert, slechts onder uitzonderlijke omstandigheden tot een andere uitkomst kan leiden, dan wel heeft het zijn oordeel op dit punt onvoldoende gemotiveerd (rov. 3.1.5).

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam en verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing. A-G Vlas had eerder geconcludeerd dat de Hoge Raad de zaak zelf kon afdoen door het bestreden arrest te vernietigen en het vonnis van de rechtbank alsnog te bekrachtigen.

De man is in cassatie bijgestaan door Karlijn Teuben.

Share This