Selecteer een pagina

HR 16 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1631

Op grond van art. 1:141 lid 3 BW wordt het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Wie stelt dat het gaat om privévermogen, moet dit vermoeden weerleggen.

Achtergrond

Partijen hebben in hun huwelijkse voorwaarden een zogeheten periodiek verrekenbeding opgenomen. Op grond van dit beding zijn zij gehouden over elk kalenderjaar hun netto-inkomsten uit arbeid onderling te verrekenen. Zoals wel vaker het geval is, hebben ook deze echtelieden aan dit beding geen uitvoering gegeven. Na ontbinding van hun huwelijk ontstaat een geschil over het te verrekenen vermogen.

Als aan een periodiek verrekenbeding geen uitvoering wordt gegeven, blijft de verplichting tot verrekening over een in de huwelijkse voorwaarden omschreven tijdvak in stand (art. 1:141 lid 1 BW). Het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen wordt vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit (art. 1:141 lid 3 BW). Voormalig echtelieden kunnen elkaar verzoeken het te verrekenen vermogen te beschrijven (art. 1:141 lid 3 jo. art. 1:143 BW).

De Hoge Raad

Volgens de man komen de aandelen in zijn onderneming en een door hem van deze onderneming ontvangen uitkering van ƒ 2.500.000,– niet voor verrekening in aanmerking omdat het gaat om privévermogen. Het hof geeft hem op dit punt gelijk.

In cassatie klaagt de vrouw dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting over de bewijslastverdeling die art. 1:141 lid 3 BW meebrengt, althans dat het oordeel van het hof in het licht van de inhoud van de gedingstukken onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. Volgens haar heeft de man ook de op hem rustende informatieplicht van art. 1:143 lid 1 BW geschonden en heeft het hof daaraan ten onrechte niet het gevolg verbonden dat hij niet aan zijn stelplicht heeft voldaan of zijn oordeel op dat punt onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.

Volgens de Hoge Raad heeft het hof terecht vooropgesteld dat het op de weg van de man ligt om aannemelijk te maken dat de genoemde vermogensbestanddelen niet tot het verrekenen vermogen behoren. Het is aan de man om het vermoeden van art. 1:141 lid 3 BW te weerleggen. Van hem mag in dit verband worden verwacht dat hij aanvoert hoe de uitkering van ƒ 2.500.000,– is gefinancierd en hoe hij de aandelen in de onderneming heeft verkregen, en dat hij zo nodig bescheiden overlegt die dit afdoende onderbouwen (r.o. 3.3).

De Hoge Raad geeft vervolgens een overzicht van de wisselende stellingen van de man over de gevolgde constructie bij de verkrijging van de aandelen en van de betwisting van die stellingen van de vrouw. In het licht daarvan is onjuist of onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat de man is geslaagd in de weerlegging van het vermoeden dat de genoemde bestanddelen tot het te verrekenen vermogen behoren. Volgens de Hoge Raad had het hof ook niet zonder motivering eraan voorbij mogen gaan dat de man niet heeft voldaan aan een meermaals gedaan verzoek van de vrouw om een beschrijving van het te verrekenen vermogen van de man (r.o. 3.3).

Afdoening

Ook een onderdeel van het incidentele cassatiemiddel van de man slaagt. De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Share This