Selecteer een pagina

HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1358

Het oordeel van het hof dat voor zover de roerende zaken níet kunnen worden geacht te behoren tot de beperkte (huwelijks)gemeenschap van partijen, er ten aanzien van die zaken sprake is van een eenvoudige gemeenschap omdat zij aan beide partijen zijn gaan toebehoren, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Achtergrond van de zaak

De man en de vrouw in de hier te bespreken zaak zijn in 2005 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Deze huwelijkse voorwaarden hielden kort gezegd in, dat tussen hen alleen een (beperkte) huwelijksgemeenschap zou bestaan ten aanzien van het registergoed dat voor de bewoning door de echtgenoten tot hoofdverblijf dient en ten aanzien van de met dit registergoed verband houdende (hypothecaire) schulden. De huwelijkse voorwaarden bevatten tevens een bepaling met betrekking tot de draagplicht voor de kosten van de huishouding.

In 2007 hebben partijen een boerderij met onder meer een aantal percelen weiland, een erf en andere aanhorigheden in eigendom verkregen. Deze boerderij, waaraan na de verwerving door partijen verschillende verbouwingen hebben plaatsgevonden, is bezwaard met een recht van eerste hypotheek tot een bedrag van € 2.350.000,- ten behoeve van de Direktbank en een recht van tweede hypotheek tot een bedrag van € 2.100.000,- ten behoeve van MMS B.V. De man is houder van alle certificaten van de aandelen in deze laatstgenoemde vennootschap.

Begin 2015 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank op verzoek van partijen de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap gelast. De rechtbank heeft, kort samengevat, beslist dat de boerderij ófwel dient te worden toebedeeld aan de man, ófwel dient te worden verkocht (een en ander op de voorwaarden en de wijze als in de beschikking van de rechtbank omschreven).

Het hof heeft beslist dat de boerderij met overneming van de met de boerderij verband houdende schulden dient te worden toebedeeld aan de man, en dat de vrouw hem een bedrag van € 725.000,- dient te betalen (wegens onderbedeling van de man). Het hof heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat de vrouw heeft gesteld dat de beperkte (huwelijks)gemeenschap tussen partijen niet de boerderij in haar geheel omvat, maar alleen het woonhuis. Ook als deze stelling juist is, geldt volgens het hof echter dat het deel van de boerderij dat níet tot de beperkte (huwelijks)gemeenschap behoort, aan partijen samen toebehoort. Voor dat gedeelte is volgens het hof sprake van een eenvoudige gemeenschap als bedoeld in art. 3:166 lid 1 BW.

Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat de schuld van € 2.100.000,- aan MMS B.V. tot de beperkte (huwelijks)gemeenschap van partijen behoort. Het heeft zich hierbij gebaseerd op stukken die de man in het geding heeft gebracht waaruit de opbouw van het bedrag is af te leiden. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw de juistheid van deze stukken en de gevolgen die de man daaraan heeft verbonden voor de omvang van de schuld aan MMS B.V., onvoldoende gemotiveerd weersproken. Zo heeft de vrouw niet betwist dat cashopnames en bepaalde roerende zaken ten goede zijn gekomen aan (de gemeenschappelijke huishouding van) beide partijen. Ook als deze bedragen, zoals de vrouw heeft betoogd, thuishoren op de rekeningcourant van de man in MMS B.V., dan leidt dit er naar het oordeel van het hof niet toe dat de schuld niet in de beperkte gemeenschap van partijen is gevallen of niet anderszins door beide partijen moeten worden gedragen.

Cassatie

De vrouw komt van dit oordeel van het hof in cassatie en stelt zich (onder meer) op het standpunt dat het hof heeft miskend dat de omstandigheid dat er roerende zaken ten goede zijn gekomen aan (de gemeenschappelijke huishouding van) beide partijen, niet bepalend is voor het antwoord op de vraag of het deel van de schuld aan MMS B.V. dat op die roerende zaken ziet, kan worden aangemerkt als een schuld die tot de beperkte (huwelijks)gemeenschap tussen partijen behoort.

De Hoge Raad gaat hier niet in mee en licht toe dat het hof klaarblijkelijk van oordeel is geweest dat, voor zover de roerende zaken níet kunnen worden geacht te behoren tot de beperkte (huwelijks)gemeenschap van partijen, er ten aanzien van die zaken sprake is van een eenvoudige gemeenschap, omdat zij aan beide partijen zijn gaan toebehoren. Met A-G Wuisman meent de Hoge Raad dat het hof met dit oordeel niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting; ook in zoverre moet de schuld aan MMS B.V. immers door beide partijen voor de helft worden gedragen.

Daarnaast klaagt de vrouw in cassatie dat, indien het hof van oordeel is dat een gemeenschappelijke draagplicht bestaat voor de kosten van de huishouding, dit oordeel in het licht van de daarop betrekking hebbende bepaling in de huwelijkse voorwaarden van partijen onbegrijpelijk is. Op grond van die bepaling in de huwelijkse voorwaarden geldt immers een andere verdeelsleutel voor het dragen door partijen van kosten van de huishouding. Deze klacht van de vrouw acht de Hoge Raad wel gegrond:

“Deze klacht slaagt. Het hof betrekt de cashopnames mede op de “gemeenschappelijke huishouding” van partijen. Uit het bestreden oordeel wordt niet duidelijk hoe het oordeel dat de cashopnames ook in zoverre door beide partijen voor gelijke delen moeten worden gedragen, zich verdraagt met de verdeelsleutel voor kosten van de huishouding van art. 5 van de huwelijkse voorwaarden, die uitgaat van een verdeling naar netto-inkomens.”

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

Share This