Selecteer een pagina

HR 5 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:351

Een faillissement kan alleen maar door de rechter worden uitgesproken. Een faillissement kan niet van rechtswege op grond van art. 350 lid 5 Fw intreden. Wijziging van een rechterlijke uitspraak buiten art. 31-32 Rv zou in strijd komen met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. 

Achtergrond

Eisers tot cassatie waren in de schuldsanering beland. Verweerder in cassatie is de voormalig bewindvoerder en inmiddels curator van eisers. De rechtbank had de schuldsanering opgeheven, omdat eisers zich niet aan de regels hielden. Maar de rechtbank sprak hun faillissement niet uit, omdat er geen geld meer was om te verdelen onder de schuldeisers. Totdat eisers op enig moment een erfenis ontvingen. Daarop corrigeerde de rechtbank zijn eerdere uitspraak en oordeelde dat eisers op de voet van art. 350 lid 5 Fw van rechtswege in staat van faillissement zouden komen te verkeren zodra de uitspraak in kracht van gewijsde zou gaan. Het hof bekrachtigde dit oordeel.

Geen faillissement van rechtswege op grond van art. 350 Fw

De Hoge Raad beslist anders. Volgens de Hoge Raad past een van rechtswege intreden van het faillissement niet bij de gewenste duidelijkheid over of en wanneer iemand failliet is gegaan. Dan is bovendien niet verzekerd dat onmiddellijk een rechter-commissaris en een curator worden benoemd (rov. 3.1.3).

Daarom is volgens de Hoge Raad, ook bij art. 350 lid 5 Fw, steeds een uitspraak van een rechter tot faillietverklaring vereist:

“In dit licht moet art. 350 lid 5 Fw aldus worden verstaan dat het slechts bedoelt de rechter de verplichting op te leggen om in het in die bepaling genoemde geval (zie hiervoor in 3.1.2) het faillissement uit te spreken, met ingang van de dag waarop zijn uitspraak in kracht van gewijsde gaat. Anders dan het hof heeft geoordeeld, treedt het in art. 350 lid 5 Fw genoemde faillissement dus niet van rechtswege in als het daarin genoemde geval zich voordoet, maar is daarvoor steeds een uitspraak van de rechter vereist – evenals in de andere in de Faillissementswet geregelde gevallen waarin grond voor een faillissement bestaat –, die dient te berusten op de vaststelling dat het daarin genoemde geval zich voordoet.“

Geen wijzigen van een rechterlijke uitspraak buiten art. 31-32 Rv

De Hoge Raad vindt ook verkeerd dat de rechtbank zijn eerdere oordeel dat eisers bij gebrek aan middelen niet failliet worden verklaard zomaar had gewijzigd toen duidelijk werd dat er een erfenis was gekomen. Dat strookt volgens de Hoge Raad niet met de wettelijke mogelijkheden om een uitspraak te wijzigen (art. 31-32 Rv) en ook niet met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen (rov. 3.1.4 en 3.2.2):

“Rechtbank en hof konden de aldus door hen gedane einduitspraken slechts verbeteren en aanvullen binnen de grenzen van de art. 31 en 32 Rv (welke bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn op uitspraken die worden gedaan op grond van de Faillissementswet). Buiten die gevallen zou dit in strijd komen met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

[…]

Van een kennelijke fout in het vonnis van 5 augustus 2019 in de zin van art. 31 Rv is op het onderhavige punt geen sprake, […] terwijl niet is gesteld of blijkt dat het geval van art. 32 Rv zich voordoet.”

De Hoge Raad vernietigt zowel het vonnis in eerste aanleg als het arrest van het hof en verwijst de zaak naar de rol voor uitlating partijen over de faillissementskosten.

Share This