HR 13 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5668 (Promneftstroy c.s./Verweerders)

De curator in een in het buitenland uitgesproken faillissement kan in beginsel ook met betrekking tot in Nederland aanwezig vermogen dat tot de failliete boedel behoort, beheers- en beschikkingshandelingen verrichten, mits de curator daartoe naar het recht van het andere land bevoegd is. De tot aan het moment van levering gelegde beslagen moeten worden gerespecteerd.

Achtergrond

Deze zaak betreft het faillissement van de (voormalige) Russische vennootschap Yukos Oil. In een eerder deelarrest verklaarde de Hoge Raad de Russische faillissementscurator niet-ontvankelijk, omdat deze na het instellen van hoger beroep de hoedanigheid van curator had verloren (zie CB 2012-143).

Thans gaat het om de (materiële) vraag welke bevoegdheden de Russische faillissementscurator in Nederland toekomen met betrekking tot de hier aanwezige vermogensbestanddelen van Yukos Oil. Meer concreet betreft het de rechtsgeldigheid van een reeks besluiten die de curator heeft genomen als aandeelhouder van Yukos Finance B.V. (een in Nederland gevestigde dochtervennootschap van Yukos Oil), die zijn uitgemond in de verkoop en levering van Yukos Finance B.V. aan eiseres tot cassatie Promneftstroy.

Op de achtergrond speelt de vraag of het Russische faillissementsvonnis überhaupt voor erkenning in Nederland in aanmerking komt. De rechtbank oordeelde in eerste aanleg van niet, omdat het vonnis tot stand zou zijn gekomen op een wijze die strijdig is met de Nederlandse openbare orde. Het hof heeft deze kwestie in het midden gelaten, omdat naar zijn oordeel reeds het internationaalprivaatrechtelijke territorialiteitsbeginsel in de weg staat aan het liquideren van Nederlandse vermogensbestanddelen door de Russische curator (vgl. de conclusie van A-G Vlas, sub 2.1-2.2).

Territorialiteitsbeginsel: drie regels

De Hoge Raad denkt hier anders over. Onder verwijzing naar zijn eerdere Yukos-arrest uit 2008 (in kort geding) stelt hij voorop dat de territoriale werking van een in een ander land uitgesproken faillissement meebrengt (a) dat Nederlandse baten buiten het daar op het vermogen van de gefailleerde rustende faillissementsbeslag vallen en (b) dat de volgens het recht van dat andere land aan het faillissement verbonden rechtsgevolgen in Nederland niet kunnen worden ingeroepen voor zover zij ertoe zouden leiden dat onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen. Overigens (c) staat het territorialiteitsbeginsel volgens de Hoge Raad níet in de weg aan de werking in Nederland van (andere) gevolgen van een buitenlands faillissement (rov. 3.2.1).

Deze regels brengen mee, zo vervolgt de Hoge Raad, dat de curator in een buitenlands faillissement in beginsel ook met betrekking tot in Nederland aanwezig vermogen dat tot de failliete boedel behoort – maar waarop het faillissementsbeslag niet rust (vgl. regel (a)) – beheers- en beschikkingshandelingen kan verrichten, mits de curator daartoe naar het recht van het andere land (de “lex concursus”) bevoegd is (regel (c)). De curator kan dus Nederlandse vermogensbestanddelen vervreemden en de opbrengst daarvan ten goede laten komen aan de faillissementsboedel, met dien verstande dat ingevolge regel (a) tot aan het moment van levering gelegde beslagen moeten worden gerespecteerd, aangezien die vermogensbestanddelen niet onder het faillissementsbeslag vallen (rov. 3.2.2).

Regel (b) staat volgens de Hoge Raad aan het voorgaande niet in de weg (zoals het hof mogelijk heeft gemeend). Om die regel tot zijn recht te laten komen is voldoende dat onvoldane schuldeisers zich, zolang er in Nederland vermogensbestanddelen van de (voormalige) gefailleerde aanwezig zijn, daarop kunnen verhalen. Regel (b) gaat niet zo ver dat die vermogensbestanddelen geheel buiten de normale afwikkeling van het buitenlandse faillissement zouden moeten blijven. De buitenlandse curator kan dus de in Nederland gelegen boedelbestanddelen ten bate van de gezamenlijke schuldeisers te gelde maken, zij het met respectering van de daarop inmiddels gelegde beslagen (rov. 3.2.2).

Afdoening

Tegen deze achtergrond volgt vernietiging. ’s Hofs oordeel dat de buitenlandse curator niet bevoegd is Nederlandse vermogensbestanddelen te liquideren, teneinde de opbrengst daarvan uit te keren aan de in het Russische faillissement erkende crediteuren, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de Hoge Raad staat het territorialiteitsbeginsel niet zonder meer aan een dergelijke bevoegdheidsuitoefening door de buitenlandse curator in de weg (rov. 3.3.1).

A-G Vlas meende dat ’s hofs arrest op dit punt in stand kon blijven, nu het hof had geoordeeld (en had kunnen oordelen) dat er in casu onvoldane Nederlandse crediteuren in de zin van regel (b) waren of konden zijn geweest (conclusie, sub 2.12). De Hoge Raad acht ’s hofs oordeel op dit punt echter onbegrijpelijk, nu Promneftstroy c.s. hadden aangevoerd dat tot op heden geen andere schuldeisers van Yukos Oil bekend waren dan twee andere tot het Yukos-concern behorende vennootschappen, die beide al voor de levering door de curator van de aandelen in Yukos Finance B.V. conservatoir beslag op die aandelen hadden gelegd (rov. 3.3.2).

Na verwijzing moet alsnog worden bezien, zo signaleert de Hoge Raad in rov. 3.3.4, of het Russische faillissementsvonnis tot stand is gekomen op een wijze die strijdig is met de Nederlandse openbare orde. In dat geval komt het immers niet voor erkenning in Nederland in aanmerking en kan van bevoegdheidsuitoefening door de Russische faillissementscurator in Nederland geen sprake zijn (vgl. het in rov. 3.2.2 tussen haakjes gemaakte voorbehoud).

Share This