HR 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:363

Het hof ging voorbij aan een door de curator gedaan beroep op tegenstrijdig belang van een (indirect) bestuurder bij het aangaan van een hoofdelijke aansprakelijkheid van de (klein)dochters bij een schuld van het moederbedrijf. Volgens de Hoge Raad heeft het hof onder ogen gezien dat van een relevant tegenstrijdig belang tussen deze (indirect) bestuurder en de (klein)dochters bij het aangaan van de hoofdelijkheid geen sprake was.

 Feiten

Het gaat in deze zaak om een in een familiebedrijf door de heer X aan Beheersmaatschappij Handelsonderneming [A] BV (hierna: BHA) verstrekte geldlening van € 2.5 miljoen. Deze geldlening was neergelegd in twee kort na elkaar gesloten overeenkomsten: de overeenkomst van 8 januari 2003 en de overeenkomst van 13 januari 2003. Partijen bij de eerste overeenkomst waren de heer X (schuldeiser) en BHA (schuldenaar). Bij de tweede overeenkomst verbond vennootschap Z (verweerster in cassatie) zich als medeschuldenaar, waarbij zij een pandrecht zou vestigen dat de heer X kon uitwinnen op het moment dat BHA niet aan haar verplichtingen zou voldoen. In dat geval zou vennootschap Z op grond van art. 4 verhaal kunnen halen op de dochter van BHA – Handelsonderneming [A] BV (hierna: HA) – en/of haar kleindochters (hierna: de (klein)dochters). Bij het sluiten van deze tweede overeenkomst werden de (klein)dochters mede vertegenwoordigd door hun (in)direct bestuurder de heer Y. De heer Y hield op dat moment – net als de heer X – 50% van de aandelen in vennootschap Z, maar geen aandelen in BHA BV en/of haar (klein)dochters.

De heer X heeft het pandrecht uitgewonnen; BHA en haar (klein)dochters zijn gefailleerd. Vennootschap Z heeft daarop een vordering van ruim € 2.5 miljoen ingediend in de faillissementen van BHA en haar (klein)dochters. De curator heeft de vordering in het faillissement van BHA erkend, maar deze in de faillissementen van de (klein)dochters betwist. 

Renvooiprocedure

Deze procedure is de renvooiprocedure, die uit praktische overwegingen slechts in het faillissement van HA is gevoerd. In deze zaak had de curator (eiser in cassatie) aan de orde gesteld dat de (klein)dochters bij het aangaan van de overeenkomst van 13 januari 2003 zowel onbevoegd waren vertegenwoordigd wegens tegenstrijdig belang met (indirect) bestuurder BHA als wegens tegenstrijdig belang met indirect bestuurder de heer Y. Het tegenstrijdig belang met de heer Y bestond volgens de curator daarin dat de vennootschap Z (waarin de heer Y aandelen hield en economisch belang had) met art. 4 een extra verhaalsmogelijkheid kreeg op de (klein)dochters van BHA (waarin de heer Y geen aandelen hield en geen economisch belang had).

Het hof heeft het beroep op tegenstrijdig belang ten aanzien van BHA van de hand gewezen.

Cassatie

In cassatie klaagt de curator, voor zover van belang, dat het hof ten onrechte is voorbijgegaan aan zijn beroep op de aanwezigheid van tegenstrijdig belang bij de heer Y bij de vertegenwoordiging van de (klein)dochters.

A-G Rank-Berenschot acht deze klacht gegrond. Volgens haar kwalificeert het beroep op tegenstrijdig belang bij de heer Y als een essentieel verweer in het partijdebat over de vraag of de (klein)dochters aan de overeenkomst van 13 januari 2003 zijn gebonden. Nu het hof dit onbesproken heeft gelaten, moet deze vraag volgens de A-G na verwijzing alsnog worden beoordeeld.

De Hoge Raad oordeelt evenwel in rov. 3.4 anders:

“3.4 Deze klacht faalt. Het hof heeft het beroep van de curator op een tegenstrijdig belang beoordeeld in de relatie tussen [BH [A]] en haar (klein)dochters, en dit beroep verworpen op grond van – kort gezegd – doel, achtergrond en structuur van de concernfinancieringsverhouding. In dit licht heeft het hof geoordeeld dat de overeenkomst van 8 januari 2003 en de overeenkomst van 13 januari 2003 tezamen als één geheel moeten worden behandeld wat betreft de vraag of door [BH [A]] is gehandeld met een tegenstrijdig belang, en dat het aangaan van deze overeenkomsten in het belang was van zowel [BH [A]] als haar (klein)dochters. In verband hiermee behoefde het hof niet afzonderlijk in te gaan op de positie van [betrokkene 1] bij het aangaan van de overeenkomst van 13 januari 2003. Weliswaar ontstond de hoofdelijke aansprakelijkheid van de (klein)dochters voor de lening door tussenkomst van [verweerster], die zich in de overeenkomst van 13 januari 2003 als medeschuldenaar naast [BH [A]] verbond, maar in het oordeel van het hof ligt besloten dat dit niet van belang is. Het resultaat van deze constructie is namelijk niet anders dan indien de (klein)dochters van [BH [A]] zich aanstonds (dat wil zeggen: bij de overeenkomst van 8 januari 2003) samen met [verweerster] naast [BH [A]] hoofdelijk tegenover de schuldeiser [betrokkene 2] zouden hebben verbonden. [verweerster] kreeg door de overeengekomen regresmogelijkheid immers niet meer rechten dan deze schuldeiser in dat geval jegens de (klein)dochters van [BH [A]] had kunnen uitoefenen. Van een relevant tegenstrijdig belang tussen [betrokkene 1] en de (klein)dochters van [BH [A]] , dat afweek van het mogelijke belangenconflict tussen [BH [A]] en de (klein)dochters dat het hof onder ogen heeft gezien, was bij het aangaan van de hoofdelijkheid daarom geen sprake.”

Curator mr. Ubbens werd in cassatie bijgestaan door Sikke Kingma en Irina Timp.

Share This