Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

Niet meer bestaande rechtspersoon: 1. beëindiging geen vraag van internationaal faillissementsrecht; 2. verhaal beslaglegger bij overdracht in weerwil van beslag

CB 2015-169 Geplaatst op 26 november 2015 door

 HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3299 (OOO Promneftstroy/ Yukos Capital c.s.)

1. De vraag naar de beëindiging van het bestaan van een rechtspersoon is geen vraag van internationaal faillissementsrecht, maar van internationaal rechtspersonenrecht; het territorialiteitsbeginsel is niet van toepassing; 2. Niet aanvaardbaar is het indien de beslaglegger in het geval, waarin uitgangspunt is dat hij nog onvoldane vorderingen heeft en dat hij deze kan verhalen op de beslagen goederen, niet de mogelijkheid heeft om zijn recht te vervolgen, enkel als gevolg van het feit dat de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan. De beslaglegger kan in dat geval de eis in de hoofdzaak instellen of vervolgen tegen de verkrijger.

Achtergrond

Deze zaak betreft het faillissement van de (voormalige) Russische vennootschap Yukos Oil. In een eerder arrest uit 2013 oordeelde de Hoge Raad dat de Russische faillissementscurator in beginsel ook met betrekking tot in Nederland aanwezig vermogen dat tot de failliete boedel behoort, beheers- en beschikkingshandelingen kan verrichten, mits de curator daartoe naar het recht van het andere land bevoegd is (zie CB 2013-150). In het hier te bespreken arrest lag de vraag voor door welk recht het bestaan van een rechtspersoon wordt beheerst, en heeft de Hoge Raad uitsluitsel gegeven over de vraag tegen wie de eis in de hoofdzaak moet worden ingesteld of vervolgd indien de beslagen rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan.

In 2007 hebben Yukos Capital en Glendale beslag gelegd op door Yukos Oil gehouden aandelen in het kapitaal van Yukos Finance B.V. Iets meer dan een week later zijn de door Yukos Oil in Yukos Finance gehouden aandelen verkocht aan Promneftstroy. Het faillissement van Yukos Oil is later dat jaar geëindigd. In 2008 beginnen Yukos Capital en Glendale ieder bij de rechtbank Amsterdam een procedure tegen Yukos Oil. Beide vorderen betaling van aanzienlijke bedragen. Promneftstroy wordt in de procedures als tussenkomende partij toegelaten en stelt een incidentele vordering in die ertoe strekt dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart in de hoofdzaak, althans Glendale en Yukos Capital niet-ontvankelijk verklaart, en de conservatoire beslagen vervallen verklaart of opheft, omdat, kort gezegd, Yukos Oil is opgehouden te bestaan en de dagvaardingen daarmee zijn uitgebracht tegen een niet-bestaande rechtspersoon.

De rechtbank heeft de incidentele vorderingen afgewezen en tussentijds hoger beroep opengesteld. Het hof voegt beide procedures, bekrachtigt het vonnis van de rechtbank, en stelt tussentijds cassatieberoep open.

Hof: territorialiteitsbeginsel staat in de weg aan beroep op niet-bestaan rechtspersoon

Het hof overwoog dat Yukos Oil naar Russisch recht heeft opgehouden te bestaan, nu het daartoe strekkende vonnis van de rechtbank Moskou was ingeschreven in het daartoe bestemde Russische register. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BG3573) en het hiervóór al genoemde arrest uit 2013 overweegt het hof vervolgens dat, voor zover niet bij een Nederland bindende internationale regeling anders is bepaald, een in een ander land uitgesproken faillissement territoriale werking heeft. Dit brengt onder meer met zich mee dat de rechtsgevolgen die door het faillissementsrecht van dat andere land aan een faillissement worden verbonden, in Nederland niet kunnen worden ingeroepen voor zover zij ertoe zouden leiden dat onvoldane crediteuren zich niet meer kunnen verhalen op in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen van de (voormalige) gefailleerde. Het hof oordeelt vervolgens dat Promneftstroy geen beroep kan doen op het niet-bestaan van Yukos Oil, nu dat er in dit geval toe zou leiden dat Glendale en Yukos Capital zich niet meer kunnen verhalen op de in Nederland aanwezige vermogensbestanddelen. Het hof bekrachtigt hiermee het vonnis van de rechtbank.

Hoge Raad: niet-toepasselijkheid regel HR 19 december 2008 en 13 september 2013

In cassatie wordt allereerst met succes opgekomen tegen het oordeel van het hof dat het niet-bestaan van Yukos Oil is aan te merken als een rechtsgevolg van het Russische faillissementsrecht en daarom op grond van de voornoemde arresten van de Hoge Raad uit 2008 en 2013 niet kan worden ingeroepen. De Hoge Raad overweegt dat op grond van artikel 10:118 jo. 10:119 BW de beëindiging van een corporatie (zoals in dit geval Yukos Oil) wordt beheerst door het recht van de staat op het grondgebied waarvan die corporatie ingevolge de akte van oprichting haar zetel heeft en naar welks recht zij is opgericht:

“3.4.2 (…) Dit is een regel van internationaal rechtspersonenrecht, niet van internationaal faillissementsrecht. (…) De arresten van 19 december 2008 en 13 september 2013 zien niet op het inroepen hier te lande van de gevolgen die het buitenlandse rechtspersonenrecht verbindt aan de voltooiing van de afwikkeling van het faillissement van de rechtspersoon. Het oordeel van het hof dat het niet-bestaan van Yukos Oil is aan te merken als een rechtsgevolg van het Russische faillissementsrecht en daarom in dit geval hier te lande niet kan worden ingeroepen, is dus onjuist.”

De Hoge Raad had in het arrest van 13 september 2013 al opgemerkt (r.o. 3.2.1) dat het terretorialiteitsbeginsel de werking in Nederland van andere gevolgen van een in het buitenland uitgesproken faillissement niet in de weg staat (zoals ook volgt uit het in artikel 10:118 BW neergelegde incorporatiestelsel). In die zin  bevestigt de Hoge Raad met voornoemd oordeel dan ook zijn eerdere rechtspraak.

Hoge Raad: instellen c.q. vervolgen van eis in de hoofdzaak bij niet meer bestaande beslagen rechtspersoon

Hoewel Promneftstroy op het voorgaande punt dus gehoor vindt bij de Hoge Raad, kan het middel toch niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad kenschetst het voorliggende geval als volgt:

 “3.5.1 Het gaat in deze zaak, naar in cassatie uitgangspunt is, om het geval dat, nadat ten laste van een rechtspersoon conservatoir beslag is gelegd op haar toebehorende vermogensbestanddelen, deze in weerwil van dat beslag zijn overgedragen, en vervolgens de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan, voordat de op grond van art. 700 lid 3 Rv vereiste eis in de hoofdzaak is ingesteld.”

De Hoge Raad vervolgt dat, indien een dergelijk geval zich voordoet ten aanzien van een Nederlandse rechtspersoon die is opgehouden te bestaan, een overdracht in weerwil van het beslag rechtsgeldig is in de onderlinge verhouding van de overdragende rechtspersoon en de verkrijger, zodat die overdracht tot gevolg heeft dat die vermogensbestanddelen niet langer deel uitmaken van het vermogen van de rechtspersoon (HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9351). De beslaglegger kan de overdracht echter negeren omdat die jegens hem niet kan worden ingeroepen. Hij kan derhalve nog steeds verhaal nemen op de goederen waarop het beslag rust. Hij moet hiertoe wel het beslag vervolgen, hetgeen voor conservatoir beslag betekent dat een eis in de hoofdzaak dient te worden ingesteld en dat die wordt toegewezen (at. 700 lid 3 Rv).

In de voorliggende zaak heeft het vorenstaande echter tot gevolg dat de beslaglegger geen wederpartij meer heeft tegen wie hij de eis in de hoofdzaak kan instellen. Artikel 2:23c BW (heropenen van de vereffening) biedt hier geen uitkomst (r.o. 3.5.4) en ook artikel 700 lid 3 Rv voorziet niet in deze situatie. De Hoge Raad vervolgt:

“3.5.5 (…) Het zou echter niet aanvaardbaar zijn indien de beslaglegger in dat geval, waarin uitgangspunt is dat hij nog onvoldane vorderingen heeft en dat hij deze kan verhalen op de beslagen goederen, niet de mogelijkheid heeft om zijn recht te vervolgen, enkel als gevolg van het feit dat de rechtspersoon heeft opgehouden te bestaan.”

Omdat de verkrijger in een dergelijk geval de enig overgebleven belanghebbende is met betrekking tot de goederen en de vraag of de vorderingen waarvoor beslag is gelegd toewijsbaar zijn, moet worden aanvaard dat de beslaglegger in dat geval de eis in de hoofdzaak kan instellen of vervolgen tegen de verkrijger. De beslaglegger zal dan moeten vorderen dat voor recht wordt verklaard dat de vorderingen toewijsbaar zijn en dat hij daarvoor verhaal kan nemen op de goederen waarop het beslag rust. Artikel 700 lid 3 Rv dient in een dergelijk geval ook in die zin te worden uitgelegd (r.o. 3.5.6). Toewijzing van de vordering levert een executoriale titel op voor het verhaal op de beslagen goederen (r.o. 3.5.7).

De regel die de Hoge Raad formuleert is ook van toepassing voor een rechtspersoon naar het recht van een ander land, die op grond van dat recht heeft opgehouden te bestaan (r.o. 3.5.8). Glendale en Yukos Capital hadden hun eis derhalve op de door de Hoge Raad beschreven wijze moeten instellen tegen Promneftstroy. Zij behoefden hier echter geen rekening mee te houden, omdat dit niet als zodanig uit de wet volgt en ook nog niet eerder was beslist. De Hoge Raad oordeelt daarom dat Glendale en Yukos Capital in het vervolg van de procedure bij de rechtbank hun vorderingen tegen Promneftstroy kunnen richten in de in het arrest beschreven vorm (r.o. 3.6.1).

De Hoge Raad verwerpt aldus het beroep van Promneftstroy. De advocaat-generaal Vlas kwam in zijn conclusie tot de slotsom dat in Nederland tegen een niet meer bestaande vennootschap geen gerechtelijke procedure meer kon worden gevoerd en dat eisers in de procedure bij de rechtbank niet-ontvankelijk dienden te worden verklaard. De bescherming van onvoldane schuldeisers woog in zijn visie niet op tegen het, op grond van het toepasselijke incorporatierecht, niet meer bestaan van de rechtspersoon ten tijde van het inleiden van de bodemprocedure (nr. 2.13).

email print