HR 27 januari 2016, ECLI:NL:HR:2017:111

Indien feiten en omstandigheden op grond waarvan tussentijdse beëindiging op grond van art. 350 lid 3 aanhef en onder f Fw heeft plaatsgevonden, reeds in stukken aan de rechtbank zijn voorgelegd, moet ervan worden uitgegaan dat die feiten en omstandigheden in die uitspraak zijn verdisconteerd. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat er bij de rechtbank geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.

Ontbreken mondelinge behandeling

Verzoeker in deze zaak heeft in 2015 bij de rechtbank een verzoek ingediend tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft dit verzoek pro forma behandeld, in die zin dat geen zitting heeft plaatsgevonden. Op basis van de stukken die bij het verzoekschrift zijn ingediend heeft de rechtbank de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing verklaard. Vervolgens heeft de ex-echtgenote van verzoeker, vanwege diverse bezwaren tegen de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoeker, de rechtbank verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen op grond van art. 350 lid 3, aanhef en onder f, Fw. Dit artikel bepaalt dat de rechtbank de schuldsaneringsregeling tussentijds kan beëindigen indien feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van indiening van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest om het verzoek af te wijzen. De rechtbank heeft het verzoek van de ex-echtgenote toegewezen en de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank op dit punt bekrachtigd. Het hof overwoog dat er bij de rechtbank geen debat heeft plaatsgevonden over de bezwaren die de ex-echtgenote naar voren heeft gebracht, omdat er geen mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. De bezwaren waren ten tijde van de toelating tot de schuldsaneringsregeling dan ook niet bekend bij de rechter. De rechter beschikte op dat tijdstip alleen over de door verzoeker ingediende stukken en hieruit bleek alleen de visie van de verzoeker, aldus het hof.

Feiten en omstandigheden voorgelegd aan de rechtbank

In cassatie klaagt verzoeker (met succes) over het oordeel van het hof dat de rechtbank op goede gronden heeft beslist dat de huidige feiten en omstandigheden niet bekend waren bij de toelating van verzoeker. Volgens verzoeker waren namelijk alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder ook de bezwaren van zijn ex-echtgenote, aan de rechtbank voorgelegd. De rechtbank zou dan ook wel degelijk bekend zijn geweest met deze bezwaren.

Deze klacht slaagt. Onder verwijzing naar HR 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ0709  overweegt de Hoge Raad dat toepassing van art. 350 lid 3 aanhef en onder f, Fw meebrengt dat toepassing van de schuldsaneringsregeling niet tussentijds kan worden beëindigd op grond van feiten en omstandigheden die aan de rechter bekend waren ten tijde van zijn uitspraak. Er moet immers van uit worden gegaan dat de rechter die feiten en omstandigheden bij zijn uitspraak in aanmerking heeft genomen. Als de schuldsaneringsregeling op grond van diezelfde feiten en omstandigheden tussentijds zou worden beëindigd, is er in feite sprake van een herbeoordeling van een reeds verrichte beoordeling. Dit is volgens de Hoge Raad in strijd met het in art. 292 lid 2 Fw neergelegde uitsluiting van rechtsmiddelen tegen die uitspraak. Hierbij verwijst de Hoge Raad naar HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3425.

Naar het oordeel van de Hoge Raad moet er dus van uit worden gegaan dat feiten en omstandigheden die reeds in stukken aan de rechtbank zijn voorgelegd in die uitspraak zijn verdisconteerd. De omstandigheden dat geen behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden, maakt dit niet anders. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

Share This