HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1200 (Stokke/Hauck II)

De beoordeling van de auteursrechtelijke beschermingsomvang van een werk en van de vraag of daarop door een ander werk inbreuk wordt gemaakt, is in hoge mate feitelijk van aard en daardoor slechts in (zeer) beperkte mate vatbaar voor toetsing in cassatie.

Hoewel deze uitspraak van de Hoge Raad geen nieuw recht bevat, signaleer ik deze even omdat de zaak illustreert hoe beperkt de taak van de Hoge Raad als cassatierechter is bij “feitelijke” oordelen, en dat er verschil bestaat tussen een “onbegrijpelijke” motivering zoals de Hoge Raad dat bedoelt en het begrip “onbegrijpelijk” in het normale spraakgebruik. Het komt vaak voor dat het voor een procespartij niet valt te begrijpen hoe het hof, gegeven alles wat aangevoerd is, tot zijn oordeel is gekomen. Toch betekent “onbegrijpelijk” in cassatietechnische zin niet veel méér dan dat niet te volgen is – na te gaan – wat de gedachtegang van het hof is geweest. Het kan goed zijn dat een ander oordeel meer voor de hand zou hebben gelegen, maar dat maakt een oordeel nog niet onbegrijpelijk. De lijn tussen wanneer een oordeel wel, en wanneer het niet onbegrijpelijk is (in cassatietechnische zin), kan echter dun zijn. Tussen “een ander oordeel lag meer voor de hand” (geen cassatie) en “gelet op deze omstandigheid kon het hof onmogelijk tot dat oordeel komen” (wel cassatie) ligt vaak een grijs gebied.

In deze zaak ging het om de door Stokke gestelde inbreuk door Hauck op het auteursrecht op de Tripp-Trapp-stoel van Stokke. In het arrest Stokke/Fikszo heeft de Hoge Raad uiteengezet aan de hand van welke maatstaf een gestelde auteursrechtinbreuk in een dergelijk geval moet worden beoordeeld. Het hof was uitgegaan van die maatstaf, en oordeelde dat er geen inbreuk op het auteursrecht op de Tripp-Trapp-stoel werd gemaakt. Dit kennelijk tot verrassing van Stokke, nu het oordeel nogal afweek van eerdere rechterlijke oordelen over dezelfde stoel. In cassatie kon waarnemend advocaat-generaal Hammerstein zich daar wel wat bij voorstellen:

“Ik ben het met de steller van het middel eens dat het hof blijkbaar aan tamelijk ondergeschikte detailverschillen voldoende heeft gehad om tot zijn oordeel te komen dat niet helemaal goed in de lijn van eerdere beoordelingen met betrekking tot inbreuk op het ontwerp van deze stoel past […]”

maar hij voegt daar direct aan toe:

“maar dat maakt het oordeel van het hof nog niet onbegrijpelijk”.

De Hoge Raad stelt voorop:

“De beoordeling van de auteursrechtelijke beschermingsomvang van een bepaald werk en van de vraag of daarop door een ander werk inbreuk wordt gemaakt, is in hoge mate feitelijk van aard en derhalve slechts in (zeer) beperkte mate vatbaar voor toetsing in cassatie. Klachten die in wezen een nieuwe feitelijke beoordeling in cassatie vragen, miskennen de grenzen van de cassatierechtspraak. Overigens dient de wijze waarop de toetsing door de feitenrechter is uitgevoerd in overeenstemming te zijn met de toepasselijke rechtsregels en moet de uitspraak tenminste zodanig zijn gemotiveerd dat deze voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden — in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen — controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Daartoe is evenwel niet steeds vereist dat alle door een partij aangedragen stellingen door de rechter uitdrukkelijk in de motivering worden betrokken […].”

In cassatie is de zaak zelfs nog mondeling bepleit, wat niet zo heel vaak voorkomt. Mondeling pleidooi is gebruikelijker in zaken waarin vooral juridische vragen spelen dan in zaken die sterk “feitelijk” zijn, maar misschien (dit is speculeren van mijn kant) wilde Stokke juist daarom aan de raadsheren van de Hoge Raad tonen (de stoelen gingen natuurlijk mee naar de zitting) waarom het arrest van het hof volgens haar echt niet in stand kon blijven. Het heeft niet mogen baten, want de Hoge Raad oordeelt:

“De door het middel aangevoerde klachten hebben alle betrekking op oordelen van feitelijke aard. Die oordelen zijn niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd. Voor het overige vragen de klachten in wezen een hernieuwde feitelijke beoordeling van de stellingen van Stokke c.s., welke beoordeling de taak van de cassatierechter dus te buiten gaat.”

Stokke wordt in de proceskosten van Hauck veroordeeld. Hauck vroeg ruim € 28.000 aan proceskosten. Volgens de Hoge Raad is sprake van een “eenvoudige zaak” in de zin van de Indicatietarieven IE (zie CB 2014-193), en het indicatietarief voor een verweerder komt dan neer op € 13.000. Dan schrijft de regeling Indicatietarieven voor dat de partij die méér vraagt dan het toepasselijke indicatietarief moet toelichten waarom zij een hoger bedrag dan dat tarief redelijk en evenredig acht. Dat had Hauck niet gedaan, en dus hamert de Hoge Raad af op € 13.000.

Share This