Selecteer een pagina

HR 29 maart 2013, LJN BY4352

Art. 11 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag bepaalt dat de aanwijzing van het toepasselijke recht uitdrukkelijk moet zijn overeengekomen of ondubbelzinnig moet voortvloeien uit huwelijkse voorwaarden. Bij de beoordeling of sprake is van een rechtskeuze kan niet worden volstaan met het oordeel dat geen sprake is van een ondubbelzinnige aanwijzing, maar dient tevens te worden onderzocht of een aanwijzing van het toepasselijke recht ondubbelzinnig voortvloeit uit de keuze van partijen voor huwelijke voorwaarden. De vraag of tussen partijen wilsovereenstemming met betrekking tot de rechtskeuze bestaat, moet worden beantwoord aan de hand van het door partijen aangewezen recht. 

Deze zaak gaat over de vraag of de in Italië gehuwde partijen in hun huwelijksakte een geldige rechtskeuze hebben gemaakt voor het Italiaanse regime van scheiding van goederen, op grond het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: het Verdrag). Partijen zijn in januari 1998 te Italië met elkaar getrouwd volgens de katholieke riten. De door de priester opgestelde huwelijksakte, waarin een bepaling staat dat de bruid en de bruidegom, in aanwezigheid van hun getuigen hebben verklaard dat zij gekozen hebben voor huwelijkse voorwaarden conform art. 162 lid 2 van het Italiaanse Burgerlijk Wetboek, is enkele dagen later door de ambtenaar van de burgerlijke stand ingeschreven in de daartoe bestemde registers. De vrouw heeft de Italiaanse nationaliteit en de man heeft de Franse nationaliteit. Zij wonen sinds april 1998 in Nederland.

De rechtbank heeft de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en beslist dat sprake is van een geldige rechtskeuze voor het Italiaanse recht. Het hof heeft deze beslissing vernietigd en opnieuw rechtdoende bepaald, dat partijen binnen veertien dagen na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking dienen over te gaan tot de verdeling van de (krachtens het toepasselijke Nederlandse recht bestaande) gemeenschap van goederen. Het hof oordeelt dus dat geen sprake is van een geldige rechtskeuze voor het Italiaanse recht.

Het hof heeft daartoe vooropgesteld dat art. 11 van het Verdrag bepaalt dat de aanwijzing van het toepasselijke recht uitdrukkelijk moet zijn overeengekomen of ondubbelzinnig moet voortvloeien uit huwelijkse voorwaarden. Art. 13 van het Verdrag bepaalt dat een uitdrukkelijk overeengekomen aanwijzing van het toepasselijke recht dient te geschieden in de vorm welke voor huwelijkse voorwaarden is voorgeschreven, hetzij door het aangewezen interne recht, hetzij door het interne recht van de plaats waar die aanwijzing geschiedt. De aanwijzing dient in elk geval te worden neergelegd in een gedagtekend en door beide echtgenoten ondertekend schriftelijk stuk. In art. 11 en in het bijzonder in het vormvereiste van art. 13 van het Verdrag ligt naar het oordeel van het hof besloten dat partijen bij een uitdrukkelijke rechtskeuze zich bewust zijn van de rechtsgevolgen van een rechtskeuze en zijn voorgelicht over de rechtsgevolgen van zowel het maken van een uitdrukkelijke rechtskeuze als van het niet maken van een rechtskeuze (rov. 13).

In rov. 14 heeft het hof overwogen dat tijdens de behandeling ter zitting is gebleken dat partijen niet, althans onvoldoende zijn voorgelicht over de rechtsgevolgen van hun keuze voor huwelijkse voorwaarden conform art. 162 lid 2 van het Italiaanse Burgerlijk Wetboek. Volgens het hof voldoet de verklaring van partijen aan de priester namelijk niet aan de aan een uitdrukkelijke aanwijzing van het toepasselijke recht te stellen eisen als bedoeld in de artikelen 11 en 13 van het Verdrag. Daarnaast is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan dat partijen voorafgaand aan de huwelijkssluiting bij de burgerlijke stand een gesprek over het toepasselijke recht hebben gehad. Het hof heeft daarom geoordeeld dat in het licht van de bovenstaande feiten niet gesproken kan worden van een ondubbelzinnige aanwijzing van het toepasselijke recht door partijen. Nu partijen naar het oordeel van het hof het toepasselijke recht niet hebben aangewezen, leidt toepassing van art. 4 lid 1 van het Verdrag ertoe dat hun huwelijksregime wordt beheerst door het Nederlandse recht.

De man is in cassatie opgekomen tegen het oordeel van het hof dat geen sprake is van een ondubbelzinnige aanwijzing van het toepasselijke recht door partijen. De Hoge Raad overweegt dat het hof in rov. 11 weliswaar heeft onderkend dat art. 11 van het Verdrag bepaalt dat de aanwijzing van het toepasselijke recht uitdrukkelijk moet zijn overeengekomen of ondubbelzinnig moet voortvloeien uit huwelijkse voorwaarden, maar dat het vervolgens in rov. 14 uitsluitend heeft geoordeeld dat niet gesproken kan worden van een ondubbelzinnige aanwijzing door partijen.

“Aldus heeft het hof nagelaten te onderzoeken of in dit geval een aanwijzing van het toepasselijke recht op de voet van art. 11 ondubbelzinnig voortvloeit uit de hiervoor in 3.1 onder (i) genoemde keuze van partijen voor huwelijkse voorwaarden conform art. 162 lid 2 van het Italiaanse Burgerlijk Wetboek.” (rov. 3.4)

Naar het oordeel van de Hoge Raad heeft het hof zich dus ten onrechte beperkt tot beoordeling van de vraag of sprake is van een ondubbelzinnige aanwijzing van het toepasselijk recht door partijen. Het hof had daar niet mee mogen volstaan en had daarnaast moeten onderzoeken of de rechtskeuze ingevolge art. 11 van het Verdrag ondubbelzinnig voortvloeit uit de keuze van partijen voor huwelijkse voorwaarden.

In rov. 3.5 overweegt de Hoge Raad dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een rechtskeuze op de voet van art. 11 van het Verdrag, de door het hof in rov. 13 en 14 genoemde omstandigheden – die zien op de vraag of tussen partijen wilsovereenstemming met betrekking tot hun rechtskeuze bestaat – buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Art. 10 van het Verdrag bepaalt immers dat de voorwaarden voor de wilsovereenstemming van de echtgenoten inzake het recht dat zij als toepasselijk aanwijzen, door dat recht worden bepaald. De door het hof genoemde feiten en omstandigheden kunnen dus slechts in aanmerking worden genomen bij de beoordeling – naar het door partijen gekozen recht – van de materiële geldigheid van de (op de voet van art. 11 van het Verdrag tot stand gekomen) rechtskeuze van partijen. De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

De vrouw is in cassatie bijgestaan door Ans van Duijvendijk-Brand en in feitelijke instantie door Fabrizia de Wit-Facchetti.

Share This